Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MEMORIE VAN TOELICHTING.

In artikel 11 der Ongevallenwet 1901 (thans artikel 12. der Ongevallenwet 1921) worden de bedrijven van landbouw, veehouderij, tuinbouw en boschbouw uitdrukkelijk buiten den verzekeringsplicht ingevolge die wet gesteld. Dit is geschied, niet omdat de wetgever verzekering van de arbeiders in genoemde bedrijven tegen geldelijke gevolgen van in verband met hunne dienstbetrekking overkomen ongevallen onnoodig achtte, maar uitsluitend op dezen grond, dat het verschil in aard tusschen bedoelde bedrijven en de industriëele en de handelsbedrijven het raadzaam deed voorkomen de ongevallenverzekering van de arbeiders in de landbouwbedrijven in eene afzonderlijke wet te regelen, waarbij dan met dat verschil in aard rekening zou kunnen worden gehouden.

In verband daarmede werd dan ook door den Minister Kuyper in April 1905 een wetsontwerp nopens de Landbouwongevallenverzekering ingediend, welk ontwerp vervolgens door den Minister Veegens werd gewijzigd, doch door diens opvolger, den Minister Talma, nagenoeg ongewijzigd werd overgenomen. Het bedoelde wetsontwerp bleef echter onafgedaan.

Ondergeteekende heeft intusschen gemeend, na bekomen Koninklijke machtiging, dit ontwerp te moeten intrekken en te moeten vervangen door een nieuw wetsontwerp. Zijn bezwaar tegen het thans ingetrokken ontwerp betreft in hoofdzaak de daarbij geregelde organisatie der verzekering, welke organisatie nagenoeg gelijk was aan die der bij de Ongevallenwet 1901 geregelde verzekering. De verzekering zou worden uitgevoerd door de Rijksverzekeringsbank, met gelegenheid voor den werkgever om het risico van de verzekering zijner arbeiders hetzij zelf te dragen, hetzij over te dragen aan eene bijzondere verzekeringsinstelling.

Sinds de laatste 10 jaren zijn echter verschillende onderlinge organisaties van landbouwers tot stand gekomen, welke de ongevallenverzekering der land- en

Sluiten