Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luide toejuichingen, dat „wij elke verstoring van de eenheid en de vaderlandsliefde met alle geestkracht moeten afwijzen. Wij zijn lang genoeg bijeen, om ons zelf eeti helder oordeel erover te kunnen vormen, wat de taak van oneen tijd en van den dag is. Wij hebben geen lessen noodig van alle mogelijke dwarsdrijvers.

b. Begin van vorig jaar schreef in de „Nieuwe K e r kraadsche Couran t", het blad waarin Dr. Poels zijn ideeën ventileerde (in den verleden tijd), de weleerw. pater Cléophas, die onder de Christel. Mijnwerkers in Zuid-Limburg werkt, een drietal artikelen tegen eene onaanvechtbare théorie, door professor Aengenent verdedigd, waarin voorkomt de volgende, indertijd reeds door mij in de „Eindhovensche Courant" gewraakte passus:

Ten slotte. Het is mogelijk — we leven in zulk een raar landje — dat ik voortaan wordt ingedeeld bij de „latente krachten", die tegen het bisschoppelijk communiqué in, voor interconfessionalisme ijveren.

In alle bescheidenheid zij dan opgemerkt, dat ik geen „kracht" ben en ook niet „latent". Bovendien onderwerp ik mij natuurlijk aan het bisschoppelijk communiqué. Maar dit neemt niet weg, dat men den Christelijken Gewerkschaften een goed hart kan toedragen, en voor vele bisdommen, die vallen buiten het terrein van ons bisschoppelijk communiqué, de meening kan hebben, die Mgr. Keppler voor z ij n bisdom heeft uitgesproken, n.1. dat de Katholieke vakvereenigingen van de Berlinerrichting „minderwaardig" zijn, en de christelijke organisatie wel niet „het ideaal" is, maar wel „het model".

Zoo iets durfde pater Cléophas nog schrijven na het verschijnen der encycliek „Singulari quadam"!

c. In het eerste nummer van den jaargang 1913 maakte de „Deutsche Wacht", het orgaan der Duitsche Vereeniging een brief openbaar van Dr. Julius Bachem, uitgever en hoofdredacteur van de „Köln. Volksz.", aan genoemde Vereeniging gericht en waarin o.m. het volgende fraais te lezen staat:

Mijne bemoeiing richt zich sinds jaren in hoofdzaak hierop: mijnerzijds twee groote, voor ons openbaar leven beteekenisvolle, op niet-confessioneelen grondslag geplaatste organisaties voor een confessionaliseering te behoeden, die met het oog op de Duitsche toestanden hare zegenrijke werkzaamheid op den duur o n m o g e 1 ij k maakt, in ieder geval op 't ergste schaden moet en vooral, wat het Centrum betreft, dit bij een ijverige verdediging ook der rechtvaardige belangen van het katholieke volksdeel zou in den weg staan. Met het resultaat mijner desbetreffende bemoeiingen ben ik tevreden.

Sluiten