Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeenschappelijk is. Dan ligt het echter blijkbaar voor de hand, ook de parlementaire partij op dezen bodem te plaatsen.

„Als wij eene partij gelijk het Centrum eene „Christelijke" wereldbeschouwing toeschrijven, dan heeft dit dan ook niet den zin, dat zij een interconfessioneelen godsdienst nastreeft, een „Allerwelts"-christendom in het leven roept; het beteekent veeleer, dat zij de erkende belijdenissen volgens hare rechtelijke gelijkstelling zich vrij laat ontwikkelen, en hiertoe, gelijk bij hare overige politiek, de nog voorhanden zijnde macht der gemeenschappelijke christelijke ideeën naar vermogen gebruikt. Zulk eene partij zal betrekkelijk de regeling van godsdienstige, katholieke [kerkelijke] aangelegenheden natuurlijk met de inrichting onzer Kerk, de bevoegdheid des Pausen en der Bisschoppen rekening moeten houden, gelijk zij anderzijds aan de protestantsche gemeenschap de regeling van haar kerkelijk (innerkirchlich) leven overlaat. Zij zal van dit standpunt uit — vooral in landen met protestantsche meerderheid — de belangen der Katholieke Kerk waarschijnlijk met beter gevolg dienen, dan een katholieke fractie, wijl zij — gelijk verklaard is — slechts op rechten steunt en met argumenten werkt, die door de grondwet aangeboden en ook door den eerlijken tegenstander erkend en verstaan worden.

„Daarentegen zou eene partij, die als haar grondslag de katholieke belijdenis noemt — wereldbeschouwing is een woord, dat wij immers ook vaag (verschwommen) zouden kunnen noemen — in Duitschland steeds het vooroordeel ontmoeten, dat zij ook in haar streven niet het „belang van het geheele volk", het bonum commune van den pariteits-Staat, maar het particuliere belang der katholieke partij in het oog houdt — en voor zulk eene partij zou men dit vooroordeel niet zoo gemakkelijk kunnen weerleggen, als dit voor het Centrum mogelijk is. Dat de katholieke afgevaardigden, gelijk voor hunne private, zoo ook voor hunne publieke werkzaamheid aan hun katholiek geweten gebonden zijn, dat en in hoever zij door hun geweten tot eerbied en volgzaamheid tegenover het kerkelijk gezag verplicht zijn, is reeds boven in het licht gesteld."

Sluiten