Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE AFDEELING.

Van den Godsdienst.

1. De Koning en de Wet verleenen gelijke bescherming aan alle de Godsdiensten, welke in den Staat worden uitgeoefend; door hun gezag wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de Organisatie, de Bescherming, en de uitoefening van alle Eerediensten.

Alle uitoefening van Godsdienst, wordt binnen_ de Muren der Kerken van alle de verschillende gezindheden bepaald.

2. De Koning geniet in zijne Paleizen, mitsgaders in alle Plaatsen, alwaar hij resideeren zal de vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst.

DERDE AFDEELLNG.

Van den Koning.

1. De Koning heeft bij uitsluiting, en zonder bepaling, de volle uitoefening der Regering, en van alle de magt, benoodigd, om de uitvoering der Wetten te verzekeren, en dezelve te doen eerbiedigen. Hij begeeft de Burgerlijke en Militaire Ambten en Bedieningen, waarvan de benoeming bij de vorige Wetten aan den Raadpensionaris is toegekend. Hij heeft het volstrekt genot der Preöminentïen en Voorregten, tot nu toe aan deze Waardigheid verknocht.

De Munten van den Staat worden met zijn beeldtenis geslagen.

Het regt wordt in zijn naam uitgeoefend.

Hij heeft 't regt van gratie, abolitie, of remissie van straffen, bij Regterlijke Vonnissen opgelegd, te verlenen; niettemin vermag Hij dat regt niet uitteoefenen dan na alvorens in geheimen Rade de Leden van 't Nationaal Gerechtshof te hebben gehoord

2. Bij den dood des Konings zal de bewaring van den minderjarigen Koning steeds toebetrouwd zijn aan de Koninginne Moeder en bij ontstentenis aan zoodanig Persoon, als daartoe door den Keizer der Franschen zal worden aangewezen.

Sluiten