is toegevoegd aan uw favorieten.

De bezoldiging der Rijksambtenaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met het toenmalige levenspeil; in hoofdzaak werden zij nog beheerscht door eene regeling van een halve eeuw en meer terug. De jaarwedde van het personeel bij de Departementen van Algemeen Bestuur b.v. was laatstelijk bij K. B. van 31 December 1874 vastgesteld en dit organieke besluit heeft tot ver in den oorlog onveranderd gegolden. Alleen eenige jaren vóór' de crisis waren als gevolg van de bemoeienis der Staatscommissie-Van Leeuwen in een aanvullend besluit de periodieke verhoogingen geregeld; de minima en maxima waren echter ongewijzigd gebleven.

Het hier volgend staatje geeft een overzicht van de regeling 1874 en de regeling, zooals die in het vigeerende Bezoldigingsbesluit is vastgelegd.

ACCRES DER BEZOLDIGINGEN IN EEN PERIODE VAN ± 48 JAREN.

RANG. REGELING 1874. REGELING 1922. STIJGING.

Referendaris . . f 2800—f 3800 f 4800—f 6000 58 °/„

Hoofdcommies . „ 2400—„ 2700 „ 4000—„ 5000 85 .,

Commies. . . . „ 2000—„ 2300 „ 2800—„ 3800 65 „

Adj'.-commies . „ 1200—„ 1900 „ 2000—„ 3000 57 „

1° Klerk 800—- 1100 J

„ 1300— _ 2300 110 .

2e Klerk . . . „ 400—„ 700 \

Kamerbewaarder „ 1000—, 1200 „ 1800— „ 2800 133 „

Conciërge 800—„ 900 „ 1500—„ 2000 122 „

Bode „ 700—„ 850 „ 1400—„ 1700 100 „

Vaste knecht. . „ 400— „ 600 „ 1300—„ 1500 250 „

Uit de laatste kolom blijkt, dat sedert 1874, dus in een tijdsverloop van nagenoeg een halve eeuw, de salarissen met 57 tot 250 % gestegen zijn en dat de hoogere percentages uitsluitend tot de categorie der beambten terug te brengen zijn. De ambtenaren — en vooral de hoogere categorieën —