is toegevoegd aan uw favorieten.

De bezoldiging der Rijksambtenaren

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genieten derhalve in 1922 een salaris, dat 60 tot 80 % uitgaat boven het niveau, waarop zij in 1874 werden geplaatst. Aan deze regeling, welke uitsluitend voor de Haagsche Ministeries geldt, kan men overigens toetsen alle andere salarisregelingen voor het Rijkspersoneel, mits in het oog gehouden wordt, dat deze Departementale regeling zich nog gunstig onderscheidt van de meeste regelingen, door welke de bezoldigingen der onderscheidene^ categorieën van Rijkspersoneel werden en worden beheerscht. Men kan zich tamelijk een beeld van het inkomen van het Rijkspersoneel vormen, wanneer men in aanmerking neemt, dat de gemiddelde pensioengrondslag (omgeslagen over alle ambtenaren van de hoogste tot de laagste rangen) in 1874 ƒ 1049 per ambtenaar bedroeg en in 1913 ƒ 1066, zegge: één duizend en zes en zestig gulden per persoon.

Hoewel men er reeds sinds lang vóór het uitbreken van den oorlog van overtuigd was, dat het Rijkspersoneel te laag bezoldigd werd, is elk aan het bewind zittend Kabjnet voor de financiëele consequenties, aan het roeren in deze materie onvermijdelijk verbonden, teruggeschrikt. De wijze, waarop de Wetgevende Macht bovendien schuchtere pogingen om eenige traktementsverbetering voor de ambtenaren tot stand te brengen, pareerde, animeerde de elkaar opvolgende Regeeringen niet, om op dit terrein veel activiteit aan den dag te leggen.

Toen tengevolge van den abnormaal drogen zomer van 1911 de levensmiddelenprijzen, en vooral de zuivelprn'zen, sterk opliepen, werden de vaste inkomens bijzonder pijnlijk getroffen. De particuliere bedrijven gingen voor, aan hun employés duurtetoeslagen ^toe te kennen. Het Rijk volgde dit voorbeeld en vroeg de noodige credieten aan, om aan het gehuwde Rijkspersoneel, welks inkomen bruto niet meer dan ƒ 1000 per jaar bedroeg, voor den aankoop van winterprovisie enz., een douceur van ƒ 20.— te verleenen. Naar schatting zouden 25000 personen onder deze regeling vallen, zoodat een half millioen gulden tot dit doel werd aar gevraagd.

Met 56 tegen 28 stemmen door de Tweede Kamer goedgekeurd, werd ook deze schamele poging om eenige verbetering aan te brengen in de benarde positie van het Rijkspersoneel, door de Eerste Kamer met 25 tegen 15 stemmen afge-