is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mededeelingen in zijne geschiedenis van Harderwijk (zie de bewerking door Schrassert onder diens eigen naam, deel II, blz. 24) er bij, dat Henrick van Aller Servaeszoon in 1383 turfgrond opdroeg, gelegen in het Grauwe veen (onder Nykerk), en hij verontschuldigt zich over deze mededeeling met eene schijnreden. De bedoeling zal wel geweest zijn een voorvader te noemen, te meer, daar zijns vaders familiegoed een deel van dit veen besloeg, en daarbij was naar een tinsboek van kort na hertog Arnold's tijd, folio 231 verso, vroeger eigenares daarvan geweest Geertruyd Rensen (hier eene verkorting van Renseler), Bessel Henricks wiiff van Aller.

Mogen de geschiedschrijver en zijn vader denkelijk op grond van afstamming het recht bezeten hebben om het wapen der Van Aller's als het hunne te voeren, dien geslachtsnaam weder aannemen, na hem langen tijd verzaakt te hebben, wenschten zij niet.

Meer dan deze naam zou die van Van Slichtenhorst in de geschiedenis blijven leven; deze laatste kan den roem ontberen van het oudtijds adellijke geslacht, hetwelk de eerste hertogen van Gelderland in hooge waardigheden diende en er door huwelijken met bastaarddochters aan vermaagschapt was. Evenzoo was het voor een man van de grootste verdienste, als Johan van Oldenbarnevelt, die den ouden geslachtsnaam naast 'dien van Barneveld nog bezigde, na de aanvallen op zijn persoon volgens professor Fruin allerminst noodig zich op zijne adellijke voorzaten te beroepen; hunne verdiensten verzonken bij de zijne in het niet.

De geslachtsnaam Van Slichtenhorst dook eerst op tegen den aanvang der zeventiende eeuw. In de brievenverzameling van het Hof van Gelre over het jaar 1599 komt de procureur Antonis van Slichtenhorst voor. In het jaar 1601 droeg het gewestelijke bestuur hem op een geschil met de provincie Utrecht over de tolheffing in de Geldersche en Stichtsche venen te vereffenen. De procureur had wellicht door plaatselijke bekendheid — de buurt, waaraan hij zijn naam ontleende, lag op korten afstand van den tol Terschuer en is nabij de Stichtsche grens — de meeste kans om het geschil ten voordeele van zijn gewest te doen beëindigen. Op 29 Januari 1603 werd hem nog f35 aan „houtgelden" toegekend. Daarna verdwijnt zijn naam om in Holland weder op te duiken.

Volgens het register der commissiën Holland, waarin op 15 Februari 1616 vermeld wordt, dat zijn zoon Henrick van Slichtenhorst voor notaris te Amsterdam in aanmerking kwam, was Antonis van Slichtenhorst toen overleden en had hij het ambt van procureur bij den Hove van Holland vervuld. In het register hiervan leest men wel, dat Antonis Willemsz. te Rotterdam in het jaar 1602 als procureur toegelaten was. Daar hij de eenige is van dien voornaam, die in aanmerking kan komen en Antonis van Slichtenhorst omstreeks dat jaar uit Gelderland verdwijnt, moeten beide namen denzelfden persoon aanwijzen.