is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nedergutste, dat men geen drogen draad aan het lichaam had. Van Slichtenhorst kreeg tengevolge van deze „menichfuldige ende langhdurige colde, vochticheyt ende groot ongemack in bywesen van syne principalen een sinckonge van catarren und humeuren met een seer excessieff geswei aen synen hals, daerover hy suppliant meer dan den tiit van twintich weecken ende den tiit van omtrent twaelff weecken by alle medicyns geoordeelt letaell ende nyet curabel te siin. Hebbende hy zyne meeste gesontheyt te dyer tiit verlooren ende sodanige onlydelyke pyne, smerte ende gevaer geleden ende uytgestaen, dat hy deselve om geen werelts goet weder soude willen aengaen, geliick des suppliants principalen selffs wel bekent is ende bovendien uyt de verclaringen des medicyns claerlyck kan blycken."

In dit gedeeltelijk aangehaalde stuk staat ook, dat vroeger — Van Slichtenhorst's eigen woorden zijn karakteristiek — „jonker Bentinck hem suppliant sonder redenen in presentie van den Overpander van Veluwen in syne aengesicht sulcx gestooten und gequest heeft, dat hy suppliant syne ooge soude verlooren hebben, ten ware Godt almachtich sulcx namentlyck bewaert hadde."

Hoeveel zorgelijke uren zullen zijn oudste zoon Arend en diens moeder gewaakt hebben en getracht de pijnen te stillen, toen zijn vader, nog te Harderwijk gekomen, daar twintig lange weken ziek lag en er eerst na twaalf weken van schijnbaar doodelijke krankte eenig uitzicht op herstel was. En langen tijd na de genezing zou de herstelde moeten verklaren „zyne meeste gesontheyt te dyer tiit verlooren" te hebben. Heeft Kant later geschreven over de kracht van den wil om ziekelijke aandoeningen te overwinnen, welke krachtige geest moet dan in het lichaam van den toen vijf en veertigjarigen man gezeteld hebben, die ondanks geschokte gezondheid nog moeilijke ambten zou vervullen te Amersfoort en in Nieuw-Nederland en eerst op hoogen ouderdom in zijne geboorteplaats zou overlijden.

Aan het ziekbed van den lijder zullen de beminde predikant van Harderwijk Ds. Ellardus van Mehen en zijne vrouw Sara Fontanus i) meermalen gestaan hebben, alsmede de hooggeachte leermeester en „hoofdvriend" van zijn zoon, de hoogleeraar Johannes Pontanus. In den nood leert men zijne vrienden kennen. Arend van Slichtenhorst zal inzonderheid in die zorgvolle weken de vriendentrouw hebben leeren waardeeren van zijn ouden „kamerraed en spitsbroeder" Jan van Gesperden 2), die nog vroeger dan de geschiedschrijver ten grave zou dalen.

1) A. van Slichtenhorst, T. d. L., blz. 10a, noemt hem een man van groote deftigheid, vermeldt twee door hem geschreven boeken, doch (hij was) „veelbequaemer en uytneemender op de stoel" (preekstoel). De predikant ondertrouwde i Maart 1601 te Harderwijk met Sara Fontanus en huwde te Arnhem. Derhalve waren niet zij in April 1594 het bruidspaar ten huize van Ds. Johannes Fontanus te Arnhem, zooals door schrijver in Gelre XV, blz. 86, abusievelijk vermeld is, maar Ds. Gerardus Verstege en Sibilla Fontanus.

a) T. d. L., blz. 45. De neiging van den geschiedschrijver om woordspelingen te