is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

horst toen was, mag niet hoog worden geacht: een daalder en dat na veeljarige studie. Maar later zou men dezen post nog doorgehaald willen zien.

Na bijna een jaar er ambteloos doorgebracht te hebben, zou Brant van Shchtenhorst te Amersfoort eene openbare betrekking verkrijgen, n.1. die van luitenant-schout.

Op 5 Augustus 1635 zegelde nog Willem van Zeebeeck in die kwahteit. In het resolutieboek der stad is aangeteekend op 18 Januari 1636: „Compareerde in den Raedt Brant Aertsz van Shchtenhorst". Verder niets. Dr. H. J. Reynders, de tegenwoordige archivaris van Amersfoort, aan wien de schrijver eenige mededeelingen dankt, vermoedt, dat Brant van SI. zich in zijne nieuwe kwaliteit aan de regeering der stad kwam voorstellen. Dan zou hij wellicht met 1 Januari 1636 in functie zijn getreden. Jr. Walraven van Arkel was schout sedert 1625, doch deed in Mei 1642 afstand.

Geen aanzien des persoons was er bij den luitenant-schout Brant van Slichtenhorst, zelfs niet, als het zijne onmiddellijke chefs betrof. Dit vereischt eene uitvoerige toelichting, die mede een bijzonder licht werpt op de zeden van dien tijd.

Op een ochtend in Mei 1642 1) was een gezeten burger van Amersfoort, Jacob van Vlooswijck, op weg naar de St. Andriespoort, toen hij door een jongmensch achterhaald werd, die hem aanviel en met een stevigen stok sloeg. Voorbijgangers kwamen tusschenbeide en maakten aan het gevecht een einde. Spoedig bleek, dat de aanvaller een dienaar van Jr. Rudolph van Arckel was, zoon van den hoofdofficier of schout Walraven van Arckel, en in opdracht van zijn meester den heer Van Vlooswijck ging bastonneeren, omdat deze een duel geweigerd had.

Voor den schout had de handeling van den naar eigen recht strevenden zoon een hoogst onaangenaam gevolg, te meer omdat de schout zelf zich allerminst aan het gemeene recht wenschte te storen.

Het gerecht onder voorzitterschap van Brant van Slichtenhorst verbood aan de zonen van Jr. Walraven van Arckel, „schout deser stat", en mede den schout zelf, zijne huisvrouw, bloedvrienden ende geallieerden ter eene en Jacob van Vlooswijck en Johan Claesz. van Vlooswijck en zijne familie, bloedvrienden en geallieerden ter andere zijde elkander „te misdoen of te miszeggen met werken ofte met woorden op poene van 100 dobbele gouden Nederlandsche ryders".

Aan de beide familiën werd dit besluit door den deurwaarder persoonlijk medegedeeld. Den schout vond hij niet thuis, maar aan zijne huisgenooten, ook de beide dienstmeisjes, werd het voorgelezen. Toen de schout te huis was gekomen, ontbood hij den deurwaarder, en als deze ook hem het besluit wilde voorlezen, trok hij het hem uit de hand, smeet het op tafel en voegde hem toe: „By soo verre ick flux thuys geweest ware,

1) Uit het Informatieboek te Amersfoort.