is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brant van Slichtenhorst zijne rechten op geheele vergoeding van zijne kosten en schade niet zou willen prijs geven voor een klein bedrag.

De belanghebbenden, n.1. Henrick Elberts en Ariaen Maes Robert, zullen derhalve waarschijnlijk op de wijze der kooplieden in hunne woonplaats den jeugdigen Arend ter verkrijging van de gunstigste voorwaarde wel een goed glas wijn of een stevigen kroes bier hebben aangeboden. Ze beweerden echter, dat de leden van het gezelschap eerst na de totstandkoming van de overeenkomst, „over het goede accoort wel tevreden siinde, lustich ende vrolick siin geworden" i).

De schuld in dezen lag aan beide zijden. De zoogenaamde zaakgelastigde van zijn vader had voorzichtiger moeten zijn. Hij wist toch volgens eene uitdrukking in zijn hoofdwerk, dat vele kooplieden niet heel nauwgezet van geweten zijn om voordeelen te behalen. De jonge Jan Huygen van Linschoten had zelfs in zijn reisjournaal geschreven; „als men hedendaechs ende ghemeenlick siet gebeuren, dat deucht met ondeucht geloont wert". Maar Arend, destijds nog geen 26 jaren oud, was zoon van zijn tijd, die in drinkgelagen behagen schiep. Hij had daarbij in zijne studentenjaren vrienden gehad, die wel eens aan Bacchus offerden 2). Zelf drukt hij zich onbewimpeld uit, b.v. over het Nymeegsche bier 3): „hebbende een zuyverende en afzettende kraght, 't welck sy (de brouwers) door de drie vierdeelen van Nymegen, Zutven, de Velouw, alsmede in Cleefsland met heele lasten en scheepen van dagh tot dagh vertieren en afzenden".

En aangaande den wijn wijst hij op de Rijn- en Moezelwijnen 4), „welke in weynighe daghen den Rhijnstroom afgevoerd ende alhier als in een stapel- en gemeyn pakhuys worden bewaerd en wyder naer andere ryken en landen verzonden, daer de deughd van dit geurig en onvergelykelyk nat bekend en geacht is."

Een doctor umbraticus was Arend van Slichtenhorst dus niet en een geheel-onthouder van alcoholische dranken zal men in de zeventiende eeuw wel niet aangetroffen hebben. Tevens zal hij wellicht door kennis, geest en vernuft zijn gezelschap in de bijeenkomst in „de Roskam" waard geweest zijn. Toen zal hij vergeten hebben, dat hij bij onderhandelingen met geboren kooplieden voorzichtig diende te zijn. Deze zijn er niet wars van om door een gulle aanbieding van alcohol een argelooze minder vasthoudend te doen zijn, eene woordstrik te spannen of door schijnbaar onpartijdigen de overeenkomst of den koop als gunstig voor dezen te doen voorstellen 5). Gevoelt de laatste zich

1) Dr. Penninck in zijne verdediging namens H. Elberts c.s. 16 October 1644. a) Onze Eeuw, Sept. 1914, blz. 370, in: Nicolaas Heinsius in Italië door Dr. A. H. Kan.

3) T. d. L., blz. 37.

4) T. d. L, blz. 5.

5) Er is een oud spreekwoord, dat niet alleen op den aard der gronden, maar