is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatschappij in het toenmalige verre Westen .ook wel goede elementen ^ aantreffen, al was er naast deze een goed aantal minder gewenschte kolonisten. Gelijk hij eenter te Amersfoort" had weten te gebieden, somtijds bij de rechters schuldigen had kunnen aanwijzen en dezen doen vonnissen, zoo gevoelde hij nog de kracht — en zijne principalen waren hiervan overtuigd — om den embryonalen toestand in de kolonie tot eene levensvatbare, gezonde organisatie te brengen.

Hij zocht tot heden, het jaar zijner benoeming, een voor zijn aard, kennis en krachten berekenden werkkring. Voor zijn levendigen geest inzonderheid gold hetgeen in het zoogenaamde Hebreeuwsche evangehe staat: „Hij, die zoekt, zal niet rusten, totdat hij zal gevonden hebben, en gevonden hebbende, zal hij verwonderd staan; en als hij verwonderd gestaan heeft, zal hij koning zijn; en koning geworden zijnde, zal hij rust vinden."

Koning zou Brant van Shchtenhorst met zijn nauwgezet geweten en zijn plichtsbesef zelfs zijn in de onrechtmatige, zestien lange maanden durende gevangenschap („civiel arrest"), waarin hij door den heerschzuchtigen, niemand ontzienden Pieter Stuyvesant werd geplaatst; koning zou hij daarna zijn in zijne ruste in de kolonie als ambteloos burger, wanneer hij voor zijne terugreis naar het vaderland inzending vroeg van alle schuldvorderingen te zijnen laste; koning mocht hij na zijn terugkeer in zijne geboorteplaats zijn, als hij eenerzijds zijne goede attestatie uit het verre land hier indiende en anderzijds in zijn proces tot uitkeering van het hem door gecommitteerden der kolonie toegekende bedrag zijn tegenstander harde waarheden moest doen hooren; koning was hij, toen een oordeelwijzer in Veluw 's landgericht hem zijn eisch toewees.

In de laatste levensjaren na zijne terugkomst en nadat zijn zoon Arend hem ontvallen was, zou hij het aan dezen toegeschreven werk beëindigen: „Hoe en wanneer Gelderlandt tot eene voogdhye is afgesondert, 878—1666." Het bestaat uit 32 vellen druks, is met 27 wapens voorzien en reikt tot het jaar van zijn overlijden.

Betuigt Arend van Shchtenhorst, dat hij een vijand is van alle bijgeloof, tevens verklaart hij zich beslist geloovig, gelijk zijn vader dit ongetwijfeld geweest is. Hij doet het in deze woorden : „dat er geen öf klein öf groot kwaad in de stad en gebeurd zonder toelaetingh en bestier van Dengenen, die alle de hayren op ons hooft getelt heeft" 1).

Met dit geloof in Gods voorzienigheid en almacht was het Brant van Shchtenhorst niet te moeilijk om op gevorderden leeftijd in het jaar 1647 afscheid te nemen van zijn geboortegrond, van zijne kennissen en vrienden, zijne maagschap, onder welke drie hier in het vaderland blijvende kinderen, onder zijne oogen opgegroeid tot krachtige loten van zijn stam, om met zijne twee jongste telgen in een scheepje de herfststormen op den

1) Geldersche Geschiedenissen, blz. 139, noot.