is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op het Fort Oranje verschijnen. Van drie kasteelen i) der Maquaes kwamen 18 hoofden behalve de vrouwen en de kinderen om hem eene vereering te brengen. Naar oude gewoonte kwamen ze in het huis van den Patroon logeeren. Om de oude vriendschap met hen te onderhouden en te vernieuwen, „opdat se geen peerden, beesten, varkens meerder dood solden slaen", besloot de Raad van de kolonie met advies van Ds. Megapolensis aan de Wilden van wege de kolonie eene vereering te geven. Laken en eenige wapenen met kruit, van Peter Hartgers en Jacob Jans Hap betrokken en gelijkelijk voor elk der kasteelen bestemd, waren welkome geschenken.

Niettegenstaande de wederzijdsche betuigingen van vriendschap bleven de Maquaes gevaarlijke buren. Zoo kwamen 7 Juli 1649 hunne hoofden van het eerste kasteel Canage (elders staat Cangere) en verzochten twee Duitsche personen (Nederlanders) en twee paarden om voor hun kasteel palissaden te rijden. Zij wilden dit versterken, omdat zij en ook de Christenen in de nabijheid bevreesd waren voor een overval der Franschen. Deze zochten van Canada uit meer gebied te verwerven.

Het werd eene belangrijke zaak geacht, omdat het inwilligen van het verzoek tot nadeel der Christenen kon strekken. De Directeur Van Shchtenhorst riep den Raad bijeen, dié na rijpe overweging besloot, dat men den commies Verbruggen en Labatie alsmede mr. Abraham Staets ontbieden zou om eene beshssing te nemen. De wilden, die hun verzoek niet spoedig ingewilligd zagen, begonnen te dreigen en zeiden: indien men hun de paarden en de Duitsche personen niet goedwillig toestond, zouden zij ze met geweld nemen en de rest doodslaan. In dien hoogdringenden nood werden twee Nederlanders, Simon de Groot en Aert Peters Solder, met twee paarden voor het doel beschikbaar gesteld.

De wilden vereerden daarop den Christenen twaalf bevers: „somer-, herfst- en drielingenvellen, und alsoo men te vooren de vereeringe niet mag nasien, soo werden de Christenen bedroogen." Door de heeren De Hoges, mr. Abraham Staets en anderen gewaardeerd, werd de waarde op zeven volwassen bevers geschat.

Het ongeluk wilde nog, dat de kolonie gelegen was tusschen twee elkander bekampende Indianen-stammen.

Arend van Slichtenhorst, die in het jaar 1656 ten dienste van zijn vader vele stukken voor het te voeren proces overschreef of ze na mondelinge inhchting voor hem stelde, geven we hier verder het woord, hetwelk door overbrenging in de hedendaagsche taal aan aanschouwelijkheid zou verhezen. Tevens leeren wij uit eigen mond van zijn vader de moeilijkheden nog meer kennen, waarmede hij in het verkeer met de wilden te worstelen had 2).

1) Spreken de schrijvers van de romantische verhalen over deze Indianen of Roodhuiden wel ooit van hunne kasteelen?

a) Stuk D, copie. Daar het woord „und" herhaaldelijk gebruikt wordt, kan wel