is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

materiaal. Met de werken van den Amerikaan E. B. O'Callaghan e. a. vormen ze een aaneensluitend geschiedkundig geheel.

Van het oogenblik af, schrijft deze, dat koloniën door Patroons in Nieuw-Nederland gevestigd waren, werden de Directeuren van de Amsterdamsche kamer der W. I. C. jaloersch op haar bestaan en bestreden ze bij voortduring. Na vroeger, zij het door vorige bestuurders, aan de Patroonschappen het aanzijn te hebben gegeven, beschouwden zij ze spoedig daarna als nadeelig voor de vermeerdering der bevolking van de landstreek, hoewel den Patroons wel terdege opgelegd was ieder jaar een bepaald getal landbouwers aan te voeren. De bewindhebbers kochten al in 1634 Pavonia — naar Michiel Pauw aldus genoemd — en Zwanendal, die beide voor hunne bezitters een schadepost waren geweest, af. Ook den Patroon van Rensselaerswyck trachtten ze te bewegen hun zijne aanspraken en rechten af te staan en toen dit mislukte, veranderden zij van tactiek en besloten eene rechtsmacht nevens de hunne te beperken en eene macht te verzwakken, die ze niet door geld weder aan zich konden brengen.

In dit stadium trad Brant van Slichtenhorst voor den WeesPatroon, Johan, den oudsten zoon van Kiliaen van Rensselaer, als Directeur van diens kolonie op met de bekende lastgeving, gegrond op de door de W. I. Compagnie verleende rechten en vrijheden. Kort te voren was Pieter Stuyvesant door haar tot Directeur-Generaal ook van Nieuw-Nederland benoemd.

De laatste maakte er aanspraak op de hoogste bestuurder van het geheele land te zijn, zonder gebonden te wezen aan de bijzondere rechten en feudale voorrechten, die zoowel door het contract van 1629 als door het burgerlijke recht in de Nederlanden toegestaan waren aan de plaatselijke macht van vrijwel onafhankelijke leengoederen.

Van Slichtenhorst — men heeft het in Amerika al vóór meer dan eene halve eeuw getuigd — was volkomen bekend met de vrijheden, waarop dagelijksche heerlijkheden, b.v. Hoevelaken, en verder plaatselijke gemeenten — als de stad Amersfoort — in het vaderland aanspraak hadden, en erkende dan ook de uitoefening van geene macht binnen het hem toevertrouwde gebied dan die van zijn Wees-Patroon en van zulk gezag als door diens wettige vertegenwoordigers, in casu de voogden en den Raad der kolonie, was goedgekeurd.

Welke bevelen of plakkaten de Directeur-Generaal mocht uitvaardigen, ze waren, dit hield Van Slichtenhorst steeds vol, ongeldig en zonder kracht, tenzij ze onderschreven en onderteekend waren door zijn lastgever en uitgevoerd werden door de ambtenaren van diens gerechtshof. Het was te voorzien, dat hier een strijd moest ontbranden tusschen de vertegenwoordigers van de tegenstrijdige belangen, en letten we op de aan de Patroonschappen verleende voorrechten, dan kunnen we zelfs spreken van den strijd tusschen macht — die van den Directeur-Generaal — en recht, dat aan de zijde stond van den vertegenwoordiger der kolonie Rensselaerswyck, den Directeur Van Shchtenhorst.