is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breken en te vertrappen onder zijne voeten, „als het was gebouwd op grond van de Compagnie." „Ik heb niets met u te maken," antwoordde Glen, „ik kan geen nieuwen meester dienen, voordat ik ontslagen ben door den eenen, onder wien ik leef."

De Commissaris dreigde hem met Stuyvesant, maar de andere meende, dat hij zich even goed zou bevinden in de handen van den Directeur-Generaal als hij. Dit vinnige antwoord wekte Dijck* man's toorn op. Hij trok zijn zwaard en dreigde zijn tegenstander te doorsteken. Maar Glen was niet bang. Hij greep een stok om zijn aanvaller af te weren, die daarop aftrok. Den volgenden morgen, 22 Maart, werd hij naar het fort opgeroepen en gevangen gehouden. Nu ging het algemeene gerucht, dat Stuyvesant op het punt stond de plaats te bezoeken, en zijne gemachtigden gingen zoo ver aan te kondigen, dat eene nieuwe galg was opgericht voor Van Slichtenhorst en zijn zoon en voor den jongen Van Rensselaer, die beschouwd werden als de aanmoedigers van dit „oproer."

Macht ging boven recht in de kolonie Nieuw-Nederland.

De Gouverneur was in dien tijd bezig zich te bevrijden van alles wat overbleef van zijne tegenstanders te Nieuw-Amsterdam. Melijn was in zekere mate vogelvrij verklaard; een tweede had zich op Staten-eiland teruggetrokken om na te denken over zijne zoogenaamde onbeschaamdheden; een derde, een notaris, durfde zijn beroep niet meer uitoefenen; de „Negen Mannen", een vertegenwoordigend lichaam, waren onder den ban. De Procureur* Generaal Van Dijck was nu aan de beurt.

Het is ongelooflijk wat Stuyvesant zich tegen dezen durfde veroorloven. Op een tijd werd hij „belast naar de varkens te zien en ze buiten het fort (Amsterdam) te houden, een plicht, die een neger zeer goed kon volbrengen." Toen Van Dijck bezwaar maakte, „werd de Directeur zoo boos, alsof hij hem wildé opeten," en als hij het waagde ongehoorzaam te zijn, „sloot hij hem op of sloeg hem met een rotting." Wegens beschuldigingen van dronkenschap en op vermoeden, dat hij de schrijver van een dwaas schotschrift zou zijn, werd de Raad samengeroepen en een besluit volgde, waarbij de Schout-fiscaal uit zijne betrekking werd ontslagen „naar aanleiding van zijn voortdurend wangedrag en oogluikende toelatingen." Dit besluit heette genomen te zijn „door en met advies van de Negen Mannen", maar dezen verwierpen die verklaring en betuigden, „dat zij nooit iets geweten hebben van hetgeen Van Dijck zou bedreven hebben; dat zij nooit zouden toegestemd hebben in het besluit hem te ontslaan en dat Stuyvesant dit op eigen gezag gedaan had en de Secretaris er valschelijk hunne namen bijgevoegd had."

Er is verlicht despotisme en er is geweldenarij, die niet schroomt van lage middelen, als valsche handteekeningen, gebruik te maken. Of zouden negen mannen van stand onwaarheid hebben gesproken en Stuyvesant en de Secretaris valsch beticht geworden zijn ? Geloove, wie het wil!

Dit alles kan een juister» oordeel doen vellen over het ge-