is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat na eene waardebepaling van het bezit in Nederland op ongeveer vier ton gouds de bezitting in Nieuw-I^djrland pro memorie was uitgetrokken^' een voldingend bewijs, dat de erven zèër"goed wisten, dat "de kolonie Rensselaerswyck geene baten afwierp, ja zelfs tot dien tijd een schadepost was geweest, dan had onze Arend van Shchtenhorst den aanval der tegenpartij door het noemen van een aan zijn vader gestelden eisch om aan den Patroon f47121 — zegge zeven en veertig duizend eenhonderd en een en twintig gulden — te betalen met haar eigen wapen kunnen bestrijden en voor het geheele gericht een vernietigend pleidooi houden over dien ongehoorden, met alle feiten strijdenden tegeneisch. Deze zou dan in zijne naaktheid en „ongefundeertheyt" zijn geopenbaard en allen de oogen hebben geopend voor het feit, dat geen enkel middel onbeproefd werd gelaten om aan den ouden Van Slichtenhorst het hem toekomende te onthouden.

Terecht was de tegenpartij bevreesd tot betaling, zij het ook met eenige vermindering, veroordeeld te zullen worden. Zoo was het immer vroeger geweest, daar Brant van Slichtenhorst zich altijd stelde op den vasten bodem van het recht. En korten tijd geleden had Johan van Renseler dit mede door eene beslissing van het Veluwsche landgericht ondervonden, toen hij aangesproken werd om betaling der som van 450 gulden, die volgens het accoord van 10 November 1646 aan Goudje van Shchtenhorst nog altijd toekwam, en hij hiertoe veroordeeld werd (1655).

Op 4 September 1651 reeds had Brant van Slichtenhorst te Rensselaerswyck eene assignatie, groot 450 gulden, verzonden ten voordeele van zijne dochter, die toen spoedig in het huwehjk zou treden.

Doch zij kon haar aanstaanden man met genoemde som als eene huwelijksgift nog niet verblijden, toen zij op 21 November van dat jaar aanteekende voor de trouw 1). Eerst na eene rechterlijke uitspraak en peinding ging Rensselaerswyck's Patroon tot uitbetaling over.

Den 8sten Augustus 1655 werd eene sententie tot betaling uitgesproken en in het volgende jaar op het gericht te Putten verklaard, dat in het geding tusschen Pieter van der Schuyr namens zijne vrouw als aanlegger en Jan van Renseler als verweerder den laatste zijn verzoek werd ontzegd en tevens verklaard, dat de eerste eene goede peinding gedaan had en door den verweerder eene kwade pandwering geschied was. Daardoor was Johan van Renseler genoodzaakt zich bij de uitspraak van 1655 neêr te leggen en voldeed hij op 10 Juli 1656 aan Pieter van der Schuyer, zooals hij zich teekende, de som van 450 gulden, In de kwitantie wordt de vrouw van den laatste genoemd Goutgen Beecx, dochter van Brant Aertsz van Shchtenhorst 2).

1) De inschrijving van ai November 1651 is aldus: Pieter van der Schuer, soon van Brant van der Schuer, Gonda van Slechtenhorst, dogter van Brant Aertsz. van Slechtenhorst.

2) Uit den laatsten bundel stukken 15 . 3 uit het proces, R. A. van Gelderland.