is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der Amsterdamsche stoomvaart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan met de beroemdste vaartuigen van dien aard wedijveren en biedt vooral aan de eerste klas passagiers, voor wie afzonderlijke hutten ingericht zijn, een alleszins veilige, aangename en gemakkelijke passage aan", zegt de Amsterdamsche Courant van 19 Maart 1827. De Beurs van Amsterdam (bl. 46) was iets kleiner en mat 525 ton. SI Het gereed komen dezer beide groote schepen maakte het noodig voor de Onderneming een andere besternming te vinden. Men beproefde het schip aan de Regeering, toch schuldeischer, te verkoopen en wel voor den dienst in West-Indië. De Regeering nam de zaak in overweging en gelastte den zee-officier Twent het schip, waarvoor de Maatschappij niet minder dan ƒ 80.000,— vroeg, te onderzoeken. Het rapport was echter zeer ongunstig: het schip was wèl tamelijk geschikt voor kusttochten maar niet voor den dienst in West-Indië, daar de laadruimte veel te klein was; ook de ijzeren ketels en de giet-ijzeren assen en raderen, die moeilijk hersteld konden worden, waren voor den dienst in afgelegen tropische streken niet geschikt. Wel was het vaartuig te gebruiken als stoomjacht en als sleepboot voor de Marine, maar meer dan een bedrag van ƒ25.000,— moest men er toch niet voor besteden. S3 Zoo moest een andere besternming voor het vaartuig worden gezocht; terwijl de Willem I de vaart naar Hamburg overnam en de Beurs van Amsterdam een veertiendaagschen dienst op Londen opende, werd met de Onderneming een dienst van Ostende op Margate ingesteld, welke echter geen goede resultaten opleverde en spoedig gestaakt werd. Later vinden wij het vaartuig een tijdlang in gebruik op de lijn naar Enkhuizen en Harlingen, zonder dat goede resultaten bereikt werden. SI Afgezien van de Onderneming, voor welke men eigenlijk geen bestemming had, was men nu tot normale toestanden gekomen, en mocht men op eenige winst rekenen. Voorloopig was dit echter nog niet voor de Maatschappij weggelegd. De vaart op Hamburg bleek vrij voordeelig: tegen een kostenrekening van ƒ 39.950,73 (inclusief onderhoud) stondpver 1827 een bedrag van ƒ 59'°98,77 voor bruto bevaren vracht. Minder voordeelig had evenwel de Beurs van Amsterdam gevaren: bijna de geheele bruto-opbrengst was door de kosten verslonden, de eerste bedroegen ƒ47.869,08, de laatste ƒ47.540,34. Ook de resultaten der kleinere schepen waren ongunstig; de IJssel had bijna ƒ1000,— meer kosten dan vracht opgeleverd; wat op de Mercurius verdiend was, had men grootendeels moeten toeleggen op den dienst der beurtschepen, met welke men een contract had moeten aangaan. Op de Onderneming was, als we het financieel overzicht, dat ons ten dienste stond, mogen