is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der Amsterdamsche stoomvaart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die in snelheid weinig verschilt van den maildienst, die in lage passage het zeilschip nabij komt, en in comfort mail- en zeilschip overtreft, zal voor het personenverkeer een wezenlijke weldaad zijn en een groote uitbreiding aan dat verkeer geven". SI Wat het goederen-verkeer betrof, was eventueel vervoer van de producten van het Gouvernement, den grootsten verscheper, van het allergrootste belang. Ten opzichte van dit punt kon worden medegedeeld, dat met het Gouvernement was overeengekomen, dat per jaar 4800 last goederen aan de Maatschappij ten vervoer naar Nederland zou worden gegeven, tegen een vrachtprijs, die ƒ22.50 per last meer zou bedragen, dan in het voorafgaande j aar gemiddeld bij de inschrijvingen door de zeilschepen zou zijn bedongen, met dien verstande, dat tot einde 1874 het minimum ƒ97.50 per last zou bedragen. Daarentegen stond de Maatschappij aan de Regeering preferentie toe voor de laadruimte. Werden schepen van kleiner charter genomen, dan zou de vrachtverhooging slechts ƒ 20.— per last bedragen. SI Verder werden in de brochure nog eenige mededeelingen gedaan betreffende het aan te schaffen materieel. Met een der voornaamste scheepsbouwers aan de Qyde was voorloopig gecontracteerd voorden bouw van vier ijzeren schroefstoomers van 2000 ton netto en machines van 325 paardekracht nominaal, die zouden kunnen worden opgevoerd tot een effectief vermogen van 1300 paardekracht. Op de uitreis zouden zij ruimte voor 2000 ton lading benevens voor 50 eerste en 50 lagere klasse passagiers hebben; op de thuisreis voor 1350 Java-last lading benevens hetzelfde aantal passagiers. De tusschendekken zouden verder, met opoffering van een deel der laadruimte, gelegenheid aanbieden voor logies voor rnilitairen. De machines zouden zijn van „het zoogenaamd Compound expansieve systeem", waardoor 40 a 50 % besparing aan brandstof zou worden verkregen; het kolenverbruik zou bij een gemiddelde vaart van 10 mijlen niet meer bedragen dan 25 ton per etmaal. De schepen zouden om de 36 of 40 dagen vertrekken, zoodat zij gezamenlijk 8 a 10 uit- en thuisreizen zouden kunnen doen. SI Verder kwam nog de mededeeling, dat het aan de Commissie gelukt was zich de medewerking te verzekeren van den heer Ch. J. Viehoff, vroeger officier bij deNederlandsche Marine, ennusedert een aantal jaren als ingenieur voor den scheepsbouw met de Trans-Atlantische paketvaart vertrouwd; „onze plannen zijn in overleg met hem bepaald, terwijl wij ons tevens voorstellen hem als mede-directeur aan de op te richten maatschappij te verbinden. Op die wijze zullen wij bij deze onderneming partij kunnen trekken