is toegevoegd aan uw favorieten.

Zoek-licht : Nederlandsche encyclopædie voor allen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AARDAPPELKEVER—AARDAPPELMEEL.

Juli; hierna kan nog een tweede gewas (groente) volgen. De late „soorten" worden eind Maart—begin Mei buiten uitgepoot; oogst in Se p t. — October. Afstand van poten naar gelang van de grootte der knollen van 30— 60 c.M., op lichte zandgronden minder ruim dan op zwaren grond. Een hectare, met aardapp. beplant, moet voor een ruimen oogst bevatten: 134 K.G. stikstof, 62 K.G. phosphorzuur, 215 K.G. kali en 33 K.G. kalk. Op niet te slechten grond kan men

voisiaan met jaarlijks een kunstmestbemesting te geven van 5 K.G. chilisalpeter, 10 K.G. superphosphaat en 7 K.G. patentkali (alles per are), voor de vroege rassen maar 3 K.G. chili. Dit geldt voor consumptieaardapp., voor fabrieksaardapp. geeft men wel 8 K.G. chili, om sterken groei en groote opbrengst aan knollen te verkrijgen.

zier poten geschiedt op rijen, in kuiltjes of voren, diepte ± 10 c.M. Den grond tusschen de rijen goed schoon houden van onkruid; de rijen zelf even aanaarden (van links en rechts wat aarde er tegenaan schuiven). Noodig 15 L. poters per are; opbrengst gewoonlijk 2—2.5 H.L. per are (een H.L. is ruim 70 K.G.), op besten grond 3.5 — 4 H.L.

Sedert 1844 is men zeer beducht voor de aardappelziekte, die in genoemd jaar overal hevig woedde, waardoor de oogst voor 't grootste deel waardeloos werd. Oorzaak dezer ziekte is een zwam (Phytophthora infestans), die blad en knollen aantast. Een tijdige besproeiing vóór den zomer met Bordeauxsche pap (zie aldaar) kan de planten vrijwaren tegen deze ziekte. Beslist kalkarme grond geeft „kringerige" aardappelen, te veel kalk in den grond maakt de knollen „schurftig" of „pokkig". Verschillende andere ziekten teisteren van tijd tot tijd de aardapp., *t zij het blad, 't zij de knollen. Van groot belang voor een gezond gewas is de hoedanigheid v/d. poters, een uitstekende grondbewerking en een goede bemesting. Enkele goede „soorten" van tegenwoordig zijn de vroege Andijker muizen, Duitsche of

Deensche muizen, Milords, Gladiator, enz. en de late Blauwen, Eigenheimers, Bravo's, Red Star, enz. Zie verder uitgebreide werken over Bijzondere Plantenteelt en over Groententeelt en het werkje van De Gier, de Teelt van vroege aardappelen (1917).

Aardappelbovist Zie Bovist.

Aardappelkever of Coloradokever, is een kever, die als volwassen insect en als larve in de Vereenigde Staten v. N. Am., zeer veel kwaad doet aan de aardappelteelt. Ze vermeerderen zich buitengewoon sterk en zijn daardoor moeilijk te bestrijden. Gelukkig schijnt het insect in ons werelddeel niet te kunnen aarden.

Aardappelmeel is het zetmeel, dat uit aardappelen met hoog zetmeelgehalte en goede opbrengst, gewonnen wordt. De aardappelen komen per schip aan op de fabrieken, die daarvoor steeds aan water liggen, worden in een goot met stroomend water gewasschen, door een Jacobsladder naar een automatische weegschaal gevoerd en paan dan ■»•,

de raspen, terwijl tijdens eiken omloop door een Jacobsladder met één bakje, een monster genomen wordt. (Van de zending van één leverancier komen alle monsters bij elkaar, waarvan dan het soortel. gewicht wordt bepaald en met behulp hiervan uit tabellen het zetmeelgehalte afgelezen).

Het raspen geschiedt doordat de aardappelen door hun gewicht tegen cylinders worden gedrukt, bezet met zagen, die de aardappelen in kleine stukjes raspen, die dan door stroomend water naar de zeeftoestellen worden gevoerd. Dit zijn schuin liggende zeven van kopergaas, die op en neer wippen. De zetmeelkorrels gaan er doorheen en stroomen met het water weg, terwijl de vezels aan het onderste eedeelte van rlp tpvpt>

worden weggespoeld. Ook cylinderzeven zijn in gebruik. Het water met de zetmeelkorrels stroomt in groote bassins, waar zich het zetmeel afzet (vandaar de naam). Vanuit deze bassins kan het nogmaals in een stelsel schuinliggende goten gespoeld worden. Het natte