is toegevoegd aan uw favorieten.

Zoek-licht : Nederlandsche encyclopædie voor allen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strooipoeder, in zalven en in verbandgaas. Het kleurt het ondergoed doch niet de huid. De werking is als die van jodoform, doch minder sterk.

. Aristolochiaceën, plantenfam. der Choripetalen., gekenmerkt doordat de meeldraden op het vruchtbeginsel zitten en soms er mee vergroeid zijn. Geslachten : Aristolochia (A. clematitis in Nederl. i. h. wild) en Asarum (mansoor).

Aristophanes (450—c. 380 V. Chr.), de grootste Grieksche blijspeldichter, Atheensch burger, aanhanger der conservatieve partij, maakte in zijn tooneelspelen dikwijls zijn politieke vijanden onder wie Socrates, belachelijk. Ook hekelde hij in zijn stukken de gebreken van zijn tijd. Tot zijn werken behooren: „De vogels", „De ridders", „De kikvorschen", „De wolken", enz. Van zijne stukken zijn 11 bewaard gebleven.

Aristoteles, Grieksch wijsgeer, heeft onvergelijkelijken invloed uitgeoefend op het menschelijk denken. In de Middeleeuwen heette hij „de filosoof". Zijn onbeperkt gezag is door het empirisme verbroken. Voordien had Thomas van Aquino zijne wijsbegeerte in de kerkleer verwerkt, het Thomisme beheerscht het Roomsche denken nog in onzen tijd. Niet alleen daar, — op de logica aller eeuwen heeft A. zijn stempel gezet. Volgens Kant heeft die wetenschap sinds A. geen stap vooruit kunnen doen. Intusschen geldt zijn beteekenis thans niet geëvenredigd aan zijn invloed; hij is in menig opzicht een rem voor het denken gebleven. Toen blijft hij merkwaardig als systematicus en veelweter, grondlegger van logica en empirische psychologie, oorspronkelijk ethicus; hij geldt voor het prototype van kamergeleerde (schreef 400 (?) werken) en bibliograaf. Plato noemde hem den „lezer". Veel kennis -had hij uit boeken.

1. Wijsbegeerte is voor hem kenris van verband. Zij wil inzicht in den samenhang aller dingen. Dit is voor den mensch bereikbaar, maar kan enkel gevonden worden in iets anders, dat absoluut bestaat. Met deze metafysische

gedachte stelt hij zich naast zijn leermeester Plato, wiens ideeën-leer hij echter niet overnam. Ideeën, die de waarneembare wereld slechts tijdelijk en ten deele in de stof zou bevatten, maar die tegelijk volmaakt in de bovenzinnelijke wereld bestonden — voor Plato een verzoening met het onvolmaakte der wereld — lagen voor A. te ver van het gewone spraakgebruik. In zijn leer der categorieën onderscheidde hij substantie's (dingen) en aecidentie's (eigenschappen in den ruims ten zin). Deze laatste kunnen niet op zich zelf bestaan. Schoon is een eigenschap. Er is geen idee der schoonheid. Substantie's zijn zaken, die niet in iets anders bestaan; zij kunnen andere eigenschappen aannemen. De eigenlijke substantie in een ding is het blijvende en duurzame, dat altijd aanwezig is. Van het individueele b.v. in een mensch ziet A. af, dat is tijdelijk; het blijvende is de vorm, het wezen, typeerende; dit noemt A. idee (gestalte) in dezen zin, dat nu elk ding, dat wij waarnemen, een compositie is van substantie, materie als secundair element en de vorm, idee als primair element, die zich aan de materie heeft opgedrongen en het ding gemaakt tot wat het is . Zoo is de wereld een verzameling van eeuwige, onveranderlijke wezens, die met materie tijdelijke verbindingen hebben aangegaan. Bij die verbinding is concurrentie. In de substantie liggen vele mogelijkheden, potentie's; wat actueel zal worden, hangt af van den strijd der ideeën, toeval speelt bij de beslissing een rol. Verandering is in deze verklaring opgenomen: dis water ijs wordt, verbindt zich de ijs-idee met het water, waarin de potentie Van ijs reeds verscholen lag. Deze idee, in de Middeleeuwen „substantieele vorm" genoemd, heeft in de redeneering der scholastiek een universeele rol gespeeld, totdat zij bleek als kwasiverklaring niet voort te helpen.

Deze beschouwing van A. hangt volgens sommigen samen met zijn teleologische neigingen; hij leerde: niets gebeurt om niet en bekeek de natuur met het oog