is toegevoegd aan uw favorieten.

Zoek-licht : Nederlandsche encyclopædie voor allen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beeldenstorm noemt men de Calvinistische uitspattingen tegen de R. Kath. kerken en kloosters, kerkdienaars en kloosterlingen, in Juli en Aug. 1566, begonnen in Kortrijk en Yperen, hevig te Antwerpen en zich over de NoordNederl. gewesten verbreidend.

Beeldenstrijd. Zie Beeldendienst en Beeldenvereering.

Beeldenvereering. Het concilie van Trente verklaart omtrent de beelden van Christus, Maria en de heiligen, dat het behoorlijk is ze te hebben vooral in de kerken en de verschuldigde eer aan hen te betoonen door kussen, knielen enz.; deze eer geldt de voorgestelden, niet hun beelden. Het Gereformeerd Prot. standpunt is vervat in den 35sten Zondag van den Heidelb. Catechismus: God wil zijne Christenen door de levende verkondiging zijns Woords onderwezen hebben; beelden in de kerken mag men, ook als boeken der leeken, niet lijden.

De vraag, of beeldenvereering aan het Chr.dom inhaerent is geweest, wordt van Roomsche zijde bevestigend, overigens ontkennend beantwoord. Rome geeft toe, dat ze om verschillende redenen, vooral vrees voor misverstand, in de eerste eeuwen niet op den voorgrond is getreden. Symbolen zijn er ongetwijfeld geweest. De „goede Herder" baant den weg tot het Christusbeeld; sommigen onderstellen hier heidenschen invloed (Orphische dienst). Kerkvaders hebben beelden veroordeeld; op den duur is het protest verstomd.

Bij de geweldige poging van keizer Leo III „den beeldstormer" om de „ikonen" (beelden) te verwijderen — ter wille van Joden en Mohammedanen — heeft de Kerk de beelden beschermd; tijdelijke afschaffing in het Oosten (754) is door handhaving gevolgd (842). „Men mag evenwel niet gelooven, dat in hen eenige goddelijkheid of kracht is". Intusschen is bij de „wonderdoende" beelden (Lourdes) het officiéél-kerkelijk standpunt voor leeken moeilijk te onderscheiden. De beeldenstorm in Zuid- en Noord-Neder¬

land (1566) beteekende verzet tegen Roomsche „idolatrie"(beelddienst). Lagere motieven hebben zich daarin gemengd.

Beeldhouwkunst is de kunst om beelden te vervaardigen in verschillende materialen als steensoorten, die daartoe worden behakt met den beitel, houtsoorten, ivoor en been, die gesneden worden, en metalen als brons, zilver, goud, die daartoe in vormen worden gegoten en daarna afgewerkt (geciseleerd). Reeds uit het prae-historische tijdperk zijn overblijfselen van beeldhouwkunst ontdekt en bewaard. Daar zijn meesterwerken van opmerkingsgave en getrouwe natuurnabootsing bij, styleeringen in symmetrie en rythme. De plastiek ontbrak echter. Deze ontwikkelde zich van 500 v. Chr. af in Egypte. De Egyptische beeldhouwkunst, hoe uitgesproken zij ook lijkt, is niet in één algemeene kenschetsing samen te vatten. In den langen duur van dit beschavingstijdperk had zij hoogtepunten en decadence. In het oude Rijk was zij realistisch. Bekend is het beeld van den zittenden schrijver in het Louvre. Nooit is het nadenken, de intelligente arbeid, zoo wezenlijk uitgedrukt als in dit beeld. Later toen de beeldhouwkunst meer ondergeschikt werd aan de bouwkunst, kreeg zij een conventioneel karakter. Niettemin zijn uit deze tijden wonderwerken bekend, zooals de 4 groote beelden, van meer dan 20 M. hoog, en zeldzame onderlinge gelijkenis voor den tempel te Abusimbel. De rust, aan het Egypt. beeldhouwwerk eigen, is eerbiedwekkend en dwingend. De kunst van Mesopotamiê was minder realistisch, aangezien vooral in Assyrië het accent werd verplaatst van den persoon, naar het ras, waarvan de beeldhouwkunst het physiek karakter uitdrukte. In de Grieksche beeldhouwkunst, leidde het streven om de Goden ideaal voor te stellen, tot een algemeen schoonheidsideaal. Het individualisme is opgelost ineen idealen lichaamsvorm, volkomen naakt of in overeenstemming met den lichaamsvorm met eenvoudige ge-