is toegevoegd aan uw favorieten.

Het boksen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 'n straatgevecht is de tegenaanval (tijdstoot, stopstoot) goed, daar de ongeoefende niet vlug is (ronde slag, bovendien breed en langzaam gegeven). En tegenover 'n bokser, indien de aangevallene vlug is en recht stoot.

Voor de verdediging komt het er vooral op aan, dat men weet, waarnaar men kijken moet, naar de oogen of naar de handen. Men moet den ander naar de oogen zien (hier nu eens in letterlijke beteekenis). Keek men naar de handen, men zotu niet weten naar welke, daar de ander, wanneer hij onze aandacht op zijn voorste hand gericht zou zien, allicht de achterste zou gebruiken en omgekeerd. Bovendien is 't zeer gemakkelijk schijnstooten te maken, die zouden misleiden.

Ziet men naar de oogen, dan heeft men veel geringer kans bedrogen te worden, daar slechts weinigen 't schijnkijken voldoende kunnen uitvoeren, terwijl nog de meesten van hen met 'n zekeren eigenaardigen, onderzoekenden blik eerst eens poolshoogte nemen van 't plekje, dat zij wenschen te bereiken. Maar zelfs zij1, die de oogen volmaakt in bedwang hebben wat richting betreft, geven nog even voor 't vertrekken van den stoot dezen aan doordat er „vuur" in de oogen komt of oogen, neus of mond op eenigerlei wijs vertrokken worden. Al weet men dan niet waar 't dreigt, men is gewaarschuwd voor 'n aanval en stoot men snel en zonder