is toegevoegd aan uw favorieten.

De talen in het nieuwe Europa

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teksten is voor de geleerden bestemd, geen enkele is een officieel kerkelijk document. Het geschreven Fransch, dat begint met de eerste koninkhjke dynastie, die van de Capetingers, is de taal van het Koningschap, van den adel. die zich er omheen schaart, van de burgerij, die aan de regeering ambtenaren levert.

En wat geldt voor het Fransch. geldt ook. op verschillende tijdstippen, voor alle talen van West-Europa.

Men heeft Iersche teksten vanaf de Vilde eeuw n. C, Duitsche en Engelsche vanaf de VlIIste eeuw, omdat in de Iersch, Duitsch of Engelsch sprekende landen, waar het Latijn slechts geleerde taal en de volkstaal van een andere familie was, men zijn toevlucht moest nemen tot de volkstaal om het Latijn uit te leggen. In het Hoog- en in het Nederduitsch heeft men stichtelijke poëzie, reeds vóór de Xde eeuw. Ierland heeft al heel vroeg een uitgebreide epische letterkunde bezeten. Maar oudtijds is er niet merkbaar meer wereldlijke letterkunde in het Duitsch of in het Engelsch dan in het Fransch. Spaansch of Italiaansch geweest

De wereldlijke letterkunde verschijnt tegen denzelfden tijd in Duitschland en in Engeland. De Middelhoogduitsche letterkunde is bijna in haar geheel een vrije vertaling of een navolging van de Fransche in de XlIIde eeuw. De eigenlijk gezegde Engelsche letterkunde begint met Chaucer. in de XlVde eeuw; zij is wereldlijk evenals de oude Fransche. Provencaalsche, Italiaansche en Spaansche litteraturen.

Zoo hebben zich, gedurende de middeleeuwen, de nationale talen niet alleen ontwikkeld in het dagehjksch gebruik; ook geschreven hebben zij vasten vorm aangenomen ; en haar beteekenis als litteraire talen zien wij allengs grooter worden. Zij hebben gediend om voor het publiek bestemde gedichten samen te stellen. Vervolgens is men ze gaan gebruiken in de kanselarijen om officieele acten op te stellen, die door de belanghebbenden moesten begrepen worden. In Italië geven de groote dichters Dante en Petrarca. reeds in de XlIIde eeuw, aan de taal haar sedert onveranderd gebleven uiterlijk, en men ziet bij hen tot welk een