is toegevoegd aan uw favorieten.

De talen in het nieuwe Europa

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lenigheid die burgerlijke, wereldlijke talen, die door de wetenschap van dien tijd versmaad werden, het gebracht hadden.

Het feit, dat leeken, ten behoeve van wereldlijke doeleinden, aan de nationale talen van West-Europa vasten vorm gegeven hebben, dat zij in haar wezen de talen zijn van adel en burgerij, en dat de geestelijkheid er zich slechts in zooverre van bedient als zij zich tot het publiek wendt, is van de grootste beteekenis geweest voor de taalkundige ontwikkeling van Europa.

In den beginne verschilden de geschreven talen van WestEuropa slechts van de dagelijksche omgangstaal uit den tijd van de schrijvers in dezelfde mate als de hoogere standen van de samenleving uitgebreider betrekkingen onderhielden en er naar streefden een taal te gebruiken, die op een uitgebreid gebied verstaan werd, en in dezelfde mate als zij een weinig meer beschaving hadden èn aanspraak maakten op voornamere manieren dan de lagere volksklassen.

Van 't begin af zijn deze talen ontsnapt aan alles wat haar een bekrompen plaatselijk karakter zou gegeven hebben; de Fransche „chansons de geste" geven de spreektaal van geen enkele plaats weer. Chrestien de Troyes schrijft niet in het dialect van Champagne.

Aan den anderen kant heeft, sedert de XlIIde eeuw. de Fransche letterkunde een hoofsch karakter, doortrokken van kiesche gevoelens. Zoo in de middeleeuwen de geschreven talen van West-Europa geen kerkelijke talen zijn. zooals die van Oost-Europa, nog minder zijn zij plebejische talen. Zij zijn tot stand gekomen door toedoen van beschaafde menschen ten behoeve van hen, die zelf eenige ontwikkeling hadden en niet wilden beschouwd worden als te behooren tot den grooten hoop. Het tegelijk populair en voornaam karakter van de nationale talen van West-Europa springt reeds bij het begin in 't oog.

Dat is niets nieuws, zooals men gezien heeft. Het oude Griekenland had, het voorbeeld gegeven van dergelijke talen in het Ionisch van de Vide, in het Attisch van de Vde en IVde eeuw v. C. en