is toegevoegd aan uw favorieten.

Eene tweede Maria Monk of de verborgenheden van het Zwarte-Nonnenklooster te Montreal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakte, raadde mij dringend aan, ja, bad er mij zelfs om, aan den raad van August Stein gehoor te geven en het klooster te verlaten. „Men zoude," zeide zij, „er zich weinig om bekommeren of gij densluier aanneemt of niet, indien uwe vader geen schatten bezat die men eenmaal het eigendom van het klooster hoopt te zien."

„Gij stelt hoogen prijs op uw zaligheid hiernamaals," vervolgde zij „en daarom wilt gij non worden, maar ook buiten het klooster is zaligheid te vinden, want hoe jammerlijk en beklagenswaardig zoude anders het lot zijn van degenen, die in de wereld leefden, en toch zoude het onmogelijk zijn, dat allen nonnen en monniken werden. Ik wil het goede genieten, dat de goede God den mensch hier op aarde geschonken heeft, en mij met levend tasschen de muren van een klooster begraven • volg mijn voorbeeld, Maria, en verlaat het klooster, — ik hoop u dan weldra te volgen," en daarop hing zij mij een tafereel op van het leven buiten het klooster en van het geluk, dat mij eenmaal met August btein te wachten stond, zoo aanlokkelijk schoon, dat ik nogmaals mijn besluit, om het klooster te verlaten, herhaalde, met het voornemen, dit plan zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen, daar ik aan den twijfel, waardoor ik geslingerd werd, e«n einde gemaakt wilde zien, en tevens aan den strijd, die in mijn binnenste heerschte.

De abdis zag mij weemoedig aan, en zeide, „al weder eene ziel voor den hemel verloren."

HOOFDSTUK V. Bekentenissen.

Reeds telde ik bij mij zelve de uren, die er nog verloopen moesten, alvorens ik het klooster verlaten zou, en, waarom het te ontveinzen, hem zoude wederzien, aan wien al mijne gedachten gewijd waren, August Stem 1 — Want dat hij en de door hem geschreven brief de drijfveren waren, die mij noopten het klooster te verlaten, zal ik wel niet behoeven te zeggen. Waarom helaas! moest dit plan verijdeld worden, daar mij, hadde ik het ten uitvoer gebracht, veel smart en verdriet zoude bespaard zijn geworden.

Op het onverwachtst werd ik bij de abdis geroepen, die mij zeer vriendelijk zeide, dat mijn vader en pater Gregoor zich in de spreekkamer bevonden en mij wenschten te spreken.

Hetgeen de abdis mij zeide, voerde mijn verwondering ten top, want de toegang tot ons klooster was aan ieder, nonnen en priesters uitgezonderd, ten strengste verboden,