is toegevoegd aan uw favorieten.

Eene tweede Maria Monk of de verborgenheden van het Zwarte-Nonnenklooster te Montreal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onherroepelijk, ja," gaf ik hem ten antwoord, „want dit besluit is een met plotseling opkomende gril, het is de vrucht van eene langdurige overweging; de strijd, die ik zoolang in mijn binnenste gevoerd heb, is te hevig, dan dat ik dien langer kan voeren. Ik herhaal hetmijn besluit is onherroepelijk."

Met moeite richtte mijn vader zich op, zoe zeer was hij verzwakt en zeide, mij met zulk een treurigen blik aanziende, dat deze mij tot in de ziel drong : „dan voor mij geen vergiffenis, voor mij geen zaligheid."

„Vader, riep ik, hevig ontroerd ozer deze woorden, „vader! hoe kan uwe zaligheid er mede in verband staan, of ik al dan niet den sluier aanneem en waarvoor zoudt gij vergiffenis behoeven?"

„Waarvoor ?" herhaalde mijn vader, en het .was alsof een koude rilling hem door de leden ging, en, eensklaps zwijgende, bedekte hii zijn gelaat met beide handen. J

„Spreek, mijn zoon," zeide pater Gregoor'op bemoedigenden toon, „en ds Heilige Maagd geve, dat uw woorden weerklank mogen vinden in het hart uwer dochter en terwijl gij spreekt, zal ik de heilige moeder Gods daarvoor bidden1"

„O, het valt hard," begon mijn vader, na eenige oogenblikken stilzwijgen, „wanneer een vader eene misdaad aan zijn kind moet bekennen.' Bij het hooren van het woord misdaad was het mij, als voelde ik den grond onder mijne voeten wegzinken.

„Misdadig, ja mijn kind," hernam mijn vader, „zie, aan deze handen kleefde nimmer bloed en toch, toch..."

„O, mijn God !" riep ik.

„Ja, Maria, ja," viel mijn vader mij in de rede, „ja, gij hebt het geraden, maar alvorens mij te veroordeelen, mij te haten, mij te verafschuwen, mij te vloeken misschien, hoor mij aan — en vergeet nimmer wat ik thans zeggen zal!

Gij weet, dat de dood uwer moeder mij zoo zeer trof, dat die mij geheel onverschillig maakte voor alles, wat mij vroeger van het hoogste belang had toegeschenen, en u, die ik, onrechtvaardig als ik was, beschouwde als de oorzaak van den dood mijner echtgenoote heb ik gehaat en gij waart mij even onverschillig als alles, wat mij omringdedat was wreed en onrechtvaardig van mij, dat hadt gij niet verdiend Mana!" '

Diep bewogen reikte ik mijnen vader de hand, en drukte die ten teeken, dat ik hem vergiffenis schonk.

Hij vervolgde, na mij vriendelijk en dankbaar te hebben toegelachen hoewel hij bij dien lach eenigszins somber voegde : „O ! mochten allen mij vergiffenis schenken, zooals gij mij zulks doet."

„Door mijne onverschilligheid en lusteloosheid verliep mijn handel en leed ik groote schade; ik bekommerde mij hierover niet, en gewis zouden armoede en gebrek het einde van dat alles geworden zijn, had