is toegevoegd aan uw favorieten.

Justijn de Martelaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zeggen dat wij te vergeefs verklaren daaruit de godvreezendheid te hebben geleerd, dan moge die uit het in de boeken geschrevene zelf te weten komen, dat de daaruit (afkomstige) leer niet hen, maar ons betreft. Het (feit) voorts, dat de op onze godvreezendheid betrekking hebbende boeken ook nu nog bij de Joden bewaard worden, is een werk der goddelijke voorzienigheid geweest ten onzen behoeve. Immers', op dat wij niet, door (ze) uit de (christelijke) gemeente voor den dag te brengen, aan degenen die ons willen belasteren gelegenheid verschaffen tot lichtvaardige (verdenking), e i s c h e n wij dat ze uit de synagoge der Joden voor den dag gebracht zullen worden, opdat uit de nog bij hen bewaarde boeken zelve moge blijken, dat de door de heilige mannen tot onderricht geschrevene rechtvaardige (dingen) duidelijk en klaarblijkelijk ons toekomen.

14. Intusschen dient gij, mannen Grieken ! met het oog op de toekomende (dingen), en lettende op het door allen, niet slechts de godvreezenden, maar ook die van buiten af, verkondigd gericht, u niet aan de onbeproefde dwaling uwer voorouders te hechten, ook niet ingeval zij zeiven zich iets verbeeldende1) u overgeleverd hebben het er voor te houden dat dit waarheid is, maar met het oog op het gevaar van zoo vreeselijk een ramp, ook het door uwe eigene, zooals gij zeiven verklaart, leermeesters gesprokene onderzoeken en nauwgezet navorschen. Immers, ook zij zeiven zijn door de goddelijke voorzienigheid der menschen huns ondanks wel gedwongen ten onzen bate vele (dingen) te zeggen, en vooral zij die in Aegypte geweest zijn en voordeel getrokken hebben van de godvreezendheid van Mozes en diens voorouders 2). Ik vermeen namelijk dat het voor sommigen uwer, die voorzeker temet in de geschiedenis van Diodorus, en in de (geschiedenissen) der overigen die over deze (dingen) verhalen opstelden, gelezen hebben, niet verborgen is, dat zoowel Orpheus, als Homerus, en Solon, die de wetten voor de Atheners schreef, en Pythagoras, en Plato, en eenige anderen, die in Aegypte geweest zijn en hun voordeel gedaan hebben met de

') a<faUrt,s. -) Verg. J u s t. Apol. ï 44.