is toegevoegd aan uw favorieten.

Justijn de Martelaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien ook een enkel beginsel te zijn iets bepaalds is, hoe komt het dan dat de stof (het vermogen) heeft van een enkel beginsel té zijn, en dat zij niet (het vermogen) heeft van iets bepaalds te zijn ? En indien iets bepaalds te zijn en niet iets bepaalds te zijn (kenmerk van) een zelfstandigheid is, hoe is het dan mogehjk dat de stof den aard heeft van niet iets bepaalds te zijn en toch geen zelfstandigheid is ?

Hoe voorts kan iemand de stof uitsluiten van een eenheid te zijn, door haar te ontleden in twee gedaanten : in wat ten grondslag ligt aan het ontstaande en in het tegenovergestelde ? Als het uit het gezegde nog niet duidehjk is of de gedaante dan wel het ten grondslag liggende een zelfstandigheid is, hoe kon (Aristotéles) dan uitdrukkelijk aangaande de stof verklaren dat zij geen zelfstandigheid, noch iets bepaalds, noch een bestaand iets is ? Immers hij heeft verklaard dat de stof het ten grondslag hggende is. Nu eens (te beweren) dat zij geen zelfstandigheid is, noch iets bepaalds, noch een bestaand iets, dan weer het onzeker (te noemen) of zij een zelfstandigheid is, hoe zou dat niet (het werk) zijn van wie niet weten, wat zij zeggen ?

4. Uit hetzelfde boek.

Es suchten namlich die ersten Philosophen die Wahrheit und die Natur der seienden Dinge, irrten aber, jortgetrieben durch Mangel an Erfahrung, gleichsam auf einen Nebenweg hin ab, und sie behaupten, dass keines der seienden Dinge entstehe oder vergehe, weil das Entstehende nothwendig entweder aus Seiendem oder aus Nichtseiendem entstehen müsse, beides aber unmöglich sei, denn einerseits entstehe das Seiende nicht — da es ja bereits sei '■—, und andrerseiis entstehe aus Nicht-seiendem Nichts — denn Etwas muss zu Grunde liegen — ; und so demnach übertreiben sie das, was sich in Fólge hievon ergibt, und behaupten, es gebe gar nicht Vieles, sondern eben nur das Seiende selbst1).

Ook dit een en ander is geschikt om te getuigen voor de waarheid van het door ons gezegde betreffende de wijsgeeren bij de

i) I 8 p. 191 (p. 17); Pr. vert. S. 45.