is toegevoegd aan uw favorieten.

Irenaeus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam om gesprekken te voeren met Abraham, zegt Mozes : „En God verscheen hem des middags bij den eik van Mambre, en zgne oogen opslaande zag hij toe, en zie: drie mannen die voorbijgingen stonden boven hem, en hg viel ter aarde en zeide: Heer ! indien ik werkelgk genade bij u gevonden heb en elk later (woord)

spreekt hij met den Heer en spreekt de Heer met hem x). Twee van de drie dan nu waren engelen, maar een de Zoon van God2), met wien Abraham ook gesproken heeft, toen hij bad vanwege de Sodomieten, opdat zij niet zouden vergaan indien daar minstens tien rechtvaardigen gevonden werden *). En terwgl zij (samen) spraken dalen de twee engelen op Sodom neer, en Loth ontvangt hen*). En vervolgens zegt de Schrift: „En de Heer regende zwavel en vuur over Sodom en Gomorrha van den Heer uit den hemel" 5). En juist dat is de Zoon, die met Abraham sprak. Daar hij de Heer was ontving hij de macht voor de tuchtiging der Scdomieten, van den Vader die over allen heersch^ppg voert •).

Abraham was derhalve een propheet, en hg zag de (dingen) die komen zouden in de toekomst: den Zoon Gods in menschelijke gedaante, hoe hij zou spreken met de menschen ') en met hen spijs eten 8), en vervolgens over (hen) gericht zal houden, gelijk hij van dien Vader die over allen heerschappij voert macht ter tuchtiging van de Sodomieten ontvangen heeft ').

45. Ook Jacob, als hij naar Mesopotamië reist, ziet hem in den droom zooals hij voortgeschreden op den hoogsten trap stond, dat wil zeggen op het hout, (den trap) die gesteld was van de aarde tot in den hemel10). Want met behulp van dien trap van hout, dat wil zeggen van het kruis, reizen wie in hem gelooven naar den hemel. Zijn lijden immers is onze verheffing naar omhoog u). En alle (droom)gezichten van dezen aard duiden den Zoon Gods aan,

') Gen. 18:1 vgg. '■) Verg. Just. Trypho 56.

3) Gen. 18:33. *) Gen. 19:1.

5) Gen. 19:24. «) Verg. Just. Trypho 60.

») Hebr. 1:1. ») Matth. 11:19.

■<) Joh. 5:22. Verg. c. Haer. III 6, 1. 2; IV 7, 4; 10, 1; 36, 4.

"') Gen. 28:12. N Verg. Je*. 53:5.