is toegevoegd aan uw favorieten.

Irenaeus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft elk (ding) aan hem onderworpen — en verlosser van wie in hem gelooven, dergelijke (waarheden) zetten de Schriften uiteen. Daar het niet mogelijk, noch (een zaak van) kunnen is, de geheele Schrift in ordelijke verzameling te plaatsen, moogt gij daaruit ook andere (Schriftuur-plaatsen) leeren kennen, die dan de (reeds genoemde) gelijke (dingen) beweren, door in Christus te gelooven en van God wijsheid en begrip te verlangen om het door de propheten gezegde te verstaan *).

53. Dat voorts deze Christus, die bg' den Vader was door het woord des Vaders te zijn, weer vleesch moest worden, en (iemand was) die moest ontstaan en die het proces der geboorte moest ondergaan, en dat bij geboren moest worden uit eene maagd, en (iemand was) die met de menschen moest wandelen, terwgl de Vader des heelals zijne vleeschwording ook bewerkte, zegt Jesaja op de volgende wijze : „Daarom zal God zelf u een teeken geven. Zie, uwe maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en gij heden zult hem Emanuël noemen. Boter en room zal hij eten. Aleer hij het kwade kent of ook (maar) onderscheidt, kiest hij het goede. Want eer de knaap goed of kwaad kent, keurt hij de slechtheden af opdat hij het goede kieze." 2) (De propheet) verkondigt zoowel dat hij uit eene maagd zal geboren worden, als hij opmerkt dat hij waarlijk mensch was, waarop hij voorbereidt door (te gewagen van) zijn eten, en doordien hij hem een knaap noemt; maar ook doordien hij hem een naam geeft. Ook deze dwaling 3) toch is (zaak) van iemand die geboren is. En in de Hebreeuwsche taal heeft hij een dubbelen naam: Messias, Christus *), en in het Armenisch: Jezus de Verlosser, en de eene naam zoowel als de andere is naam van sommige verrichte werkzaamheden. Want Christus is hij genoemd, omdat de Vader door middel van hem elk (ding) gezalfd en geordend heeft, en krachtens zgne komst

l) Verg. Jac. 1:5. ") Verg. Jes. 7:14- 16; c. Haer. 111 21, 1—6.

') het dragen van een naam? onbekendheid met goed en kwaad? In het laatste geval ware een voorafgaande lacune te onderstellen. Zie Weber S. 79 f.

') Pa. 2:2; c. Haer. III 9, 8; 17, 1; 18, 3.