is toegevoegd aan uw favorieten.

Irenaeus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij gedwaald. De mensch heeft op zijnen weg gedwaald. En de Heer heeft hem overgegeven met het oog op onze zonden"1). Het is dus duidelijk dat het geschied is ter wille van onze verlossing, door den wil des Vaders, dat dit een en ander met hem zou plaats hebben. Vervolgens zegt die (propheet) ook betreffende de aan te brengen marteling: „Hij heeft den mond met geopend. Als een schaap is hij ter slachting geleid, stom voor den scheerder gelijk een lam" a). Ziedaar hoe (Jesaja) zijne komst tot den dood als een vrijwillige verkondigt. Maar als de propheet zegt: „In nederigheid is zijn vonnis opgeheven" 3), duidt hij de openbaring zijner nederigheid aan; de wegneming van het vonnis heeft plaats gehad krachtens eene soort van geringheid. En de wegneming van het vonnis (strekt) sommigen tot verlossing en anderen tot straf van vernietiging. Immers, „is weggenomen" beteekent: „wat vóór iemand is", en beteekent : „wat Van iemand is". Zoo ook het „vonnis". Zij vóór wie het is weggenomen hebben het ook in de straf hunner vernietiging, maar zij van wie het weggenomen is zijn er ook van verlost. Maar degenen die hem gekruisigd hebben, hebben het vonnis op zich genomen, en daar zij dit aan hem deden hebben zn' niet aan hem geloofd •), zoodat zij door het vonnis dat voor hen weggenomen is vernietigd zouden worden onder martelingen. En van degenen die in hem gelooven is het vonnis weggenomen en zij zijn nie,t meer daar onder5). En dat het vonnis, hetwelk door middel van vuur zal worden (voltrokken), de vernietiging der ongeloovigen wezen zal tegen het einde dezer wereld, (is bekend) *).

70. Vervolgens zegt de (propheet): „Zijn geslacht, wie zal het verhalen ?" 7) Ter onzer bekeering is dit gezegd, opdat wjj niet van wege (zijne) vijanden en vanwege zijn lijden van mar-

') Verg. Jes. 63:5, 6. ») Jes. 53:7.

») Verg. Jes. 53:8; Hand. 8:33. *) Verg. 1 Cor. 2:8.

•) Verg. Joh. 3:18.

'I Verg Matlh. 25:31; Rom. 1:18; 2 Petr. 3:10.

') Jes. 53:8; Hand. 8:33; verg. c. Haer. III 12, 8; IV 38, 11.