is toegevoegd aan uw favorieten.

Irenaeus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telingen hem zouden verachten als een zeer gering en een nietig mensch. Immers, hij, die al dergelijke (dingen) verduurd heeft, heeft een niet te verhalen geslacht, want „geslacht" beteekent zijn afkomst, dat wil zeggen : zijn Vader is niet te verhalen en onuitsprekelijk1). Erken dus juist als een zoodanig de afkomst van hem die deze martelingen verdroeg; en veracht hem niet vanwege de martelingen die hij opzettelijk om uwentwille verduurd heeft8), maar heb ontzag voor hem vanwege zjjne afkomst.

71. En op een andere plaats zegt Jeremia: „De adem van ons aangezicht (is) de Heer 3), Christus; en hoe is hij gevangen in hunne strikken, hij, van wien wn' gezegd hebben: onder zijne schaduw zullen wij leven tusschen de volken!"4) Ook dat het wezen zou dat de Christus, ofschoon hij de. geest Gods is, een voor lijden vatbaar mensch werd, verkondigt de Schrift5), alsmede dat het wezen zou, dat hij, onder wiens schaduw wij gezegd hebben te zullen leven, de martelingen verduurde, als stond zij verstomd en verbaasde zij zich over zijne martelingen. En „schaduw" noemt zij zijn lichaam. Gelijk namelijk de schaduw uit het lichaam ontstaat, zoo is ook het lichaam. Doch ook de nederigheid en de geringheid van zijn lichaam duidt de (propheet) aan door middel van (het woord*/ „schaduw". Natuurlijk omdat, evenals de afschaduwing van opgerichte en staande lichamen hier op de aarde is. en vertreden wordt, zoo ook het kch.aam van Christus, ter aarde geworpen, door martelingen vertreden is. Voorts heeft hij het lichaam van Christus „schaduw" genoemd, in zooverre het een bedeksel van den Geest geworden is in heerlijkheid en dien verborg. Doch ook legden een en ander maal (de menschen), als de Heer voorbjj ging, de in menigvuldige krankheden bevangenen aan de zijde van den weg, en degenen over wie zijne schaduw kwam *) werden gered.

') Eecles. 43:35; verg. c. Haer. IV 20, 6. i) Jes. 53:10.

') Verg. c. Haer. III 10, 3. <) Verg. Klaagl. 4:20.

*) Zie Joh. 1:1 vgg.; Philipp. 2:6 vgg.; 2 Clem. 9.

*) nl. van Petrus, Hand. 5:15.