is toegevoegd aan uw favorieten.

Irenaeus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90. Onze roeping is derhalve in nieuwheid van geest, en niet in oudheid van letter1), gelijk Jeremia heeft gepropheteerd: „Zie, de dagen komen; zegt de Heer, dat ik voor het huis Israël en voor het huis Jacob een verbond der getuigenis zal tot stand brengen, (hetzelfde)2) dat ik heb vastgesteld met hunne vaderen ten dage toen ik hen bij de hand vatte om hen uit te leiden uit het land van Aegypte. Want zij hebben niet stevig volhard bij het verbond en ik heb hen verwaarloosd, zegt de Heer. Dit namelijk is het verbond der getuigenis, dat ik na die dagen met het huis Israël heb vastgesteld, zegt de Heer, dat ik mijne wet in hun brein geef en haar schrijf in hunne harten. En ik zal' hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn. En niet meer zal een iegehjk zijnen (mede)burger, noch een iegelijk zijnen broeder onderrichten en zeggen: ken den Heer! want allen zullen mij kennen, van hunnen kleinste tot hunne grootsten. Ik zal namelijk goedgunstig en verzoenbaar wezen voor de zonden hunner ongerechtigheden, en hunner zonden niet meer gedenken" 3).

91. Dat voorts de roeping uit de heidenen deze beloofde (dingen) bg' erfenis zouden verkrijgen, (de geroepenen) aan wie ook het nieuwe getuigenis openbaar geworden is, zegt Jesaja aldus: „Dit zegt de God van Israël: Te dien dage zal de mensch op zjjnen Schepper hopen, en zijne oogen zullen op den Heilige Israëls zien, en zij zullen niet hunne hoop stellen op de werken hunner handen, die hunne vingeren gemaakt hadden"4). Dit een en ander is namelijk bij monde van den Heilige Israëls vrij duidelijk gezegd met het oog op (ons) die de afgoden verlaten en in God onzen schepper gelooven. De Heilige Israëls nu is de Christus. En deze is zichtbaar geworden voor de menschen. Op hem zien wij, daar hij vóór onze oogen gesteld is. Wij stellen onze hoop niet op tempels, noch op de werken onzer handen.

') Verg. Rom. 7:6.

») tenztf is uitgevallen „niet", verg. c. Haer. IV 9, 1. ») Verg. Jer. 31:31-34; Hebr. 8:8-12. *) Jes. 17:7, 8.