is toegevoegd aan uw favorieten.

Irenaeus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze volzinnen zijn wel niet ij del, noch vergeefsch de woorden te dier plaatse voorgesteld; vooruitgezonden in den trant van een voorrede hebben zij eenige overeenkomst met wat vroeger werd uiteengezet.

„Toen kwam (tot hem)". Inmiddels hebben wij de deugd te bewonderen, niet slechts van wege het voorbeeld, maar ook als wij op den tijd letten. Zóó zou ik bij voorbeeld kunnen zeggen dat de vroegrijpe vrucht van de druif is, of van de vijg, of welken appel men wil, waarvan niemand tijdens zgn bloei rijpheid eischt, of volkomenheid. Of al iemand eenige onvolkomenheid ziet, toch veracht hij de afgeplukte bes niet als nutteloos, maar als op voorbarigen tijd zich vertoonende plukt hij haar gaarne en let er niet op of de bes zich verheugen mag in volmaakte aangenaamheid, ja hij grijpt zelfs snel het genot aan, wegens het feit dat zij eerder dan de overigen verschijnt. Op dezelfde wijze verwerpt ook God, als hij geloovigen ziet die een zij het ook onvolmaakte wijsheid en een middelmatig geloof hebben, hen daarom niet, daar hij op een te-kort-koming van dien aard in het minst niet let, ja zelfs hen minzaam begroet en ontvangt als vroegrijpe vruchten, en elke denkbare ziel, die door zij het ook nog niet volstrekte deugd gekenmerkt wordt, huldigt. Hjj is haar genegen, als eene die onder de voorloopersl) verkeert, en heeft haar hef, daar zn', beslister dan de overigen, zich een zegening als het ware bij voorbaat in beslag genomen heeft.

Daarom zijn Abraham, Isaac en Jacob, onze vaderen, boven allen te bewonderen, daar zij namehjk toén het eerst voorbeelden van deugd gegeven hebben. Hoeveel martelaren zijn er aan Daniël gehjk ? Hoevele martelaren, zeg ik, kunnen op ééne lijn gesteld worden met de drie jongelingen in Babel, wier nagedachtenis nochthans niet evenzeer als de hunne is aanbevolen % Zn' namehjk waren eerstelingen en aanvangen der vrucht-voortbrenging. Vandaar dat God bevolen heeft, dat hun leven be-

') Zoo noemden volgens Plinius (H. N. XVI 26) de Atheners vroegrijpe vijgen.