is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verdam, die in het Tijdschr. v. Ned. lett. een taalkundige vergelijking bepleitte van het Nederlandsche bijbelhandschrift van 1360 met den incunabeltekst van 1477. Het een en ander moge naar voren worden gebracht, om te doen zien, dat er nog wel wat terrein hier voor onze jongere Neerlandici braak ligt.

Ten behoeve van de geschiedenis der geneeskunde heeft de bekende geleerde Dr. Karl Sudhoff reeds een groot deel van de oudere medische schrijvers (o. a.: Avicenna, Guy de Chauliac, Mohammed Rhazes, Moses Maimonides en Petrus de Argellata) behandeld in de door hem uitgegeven geïllustreerde reeks: Studiën zur Geschichte der Medizin. Leipzig 1877 en vv.

Merkwaardig zijn eveneens het boekje van Johannes Meder (Nr. 419) over de gelijkenis van dep Verloren zoon, met zijn lofdicht van Sebastiaan Brant, de geestige voorrede en de aardige prentjes van 1495, en de „Flores musicae" van Hugo Spechtshart (Nr. 325) met zijn curieuse voorstelling van de zingende zuilen van Tubal, die alleen in de uitgave van c. 1498 voorkomt.

Daar er hier te lande groot verschil van meening bestaat over het doel van eene incunabelbeschrijving en de wijze, waarop zij dient te worden ingericht, wensch ik, ter voorkoming van misverstand, aan het slot dezer inleiding rekenschap te geven van de door mij gekoesterde opvatting. M. i. heeft deze beschrijving een tweeledig doel; in de eerste plaats de groote waarde aan te toonen van de Utrechtsche verzameling als kenbron voor ernstige historische studie der middeleeuwsche beschaving gedurende de tweede helft der vijftiende eeuw. In de tweede plaats haar belang te doen kennen voor de geschiedenis van den boekdruk in Europa, daar zij een niet te versmaden aantal drukken beschrijft, waarvan geen tweede exemplaar elders wordt aangetroffen.

De volgorde, waarin de titels zijn geplaatst, is (in verband met den bestaanden fiches-catalogus der Utrechtsche Universiteitsbibliotheek) dé alphabetische naar den schrijversnaam, of, bij gebreke van dien, naar het eerste, in den titel voorkomende zelfstandig naamwoord, herleid tot den eersten naamval.

Daarbij zijn volgens middeleeuwsch gebruik de doopnamen voorop gesteld, uitgezonderd in de volgende gevallen:

a. De namen van Grieksche en Romeinsche klassieken;

b. die der Kerkvaders: Augustinus, Boethius, Chrysostomus, welke zelden of nooit naar hunne doopnamen geciteerd worden;

c. die van sommige schrijvers van lateren tijd, welke bovenal