is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

basis geelwit, vervolgens bruinzwart en naar het einde toe donkerbruin met groengelen zoom; kleine bovendekvederen van de vleugels gelijk de rug, de middelste en groote donkerbruin, geelgroen gezoomd en met geelwitte uiteinden; ondervleugeldekvederen en okselvederen wit, de laatste al of niet geel getint; staartpennen donkerbruin met geelachtig olijfgroenen zoom langs de buitenvlag; onderstaartdekvederen bruingroenachtig wit. Iris donkerbruin; snavel bruinzwart; pooten donkerbruin, onderzijde van de teenen geelachtig. Vleugel 52 — 57, staart 36 — 44, snavel 7 — 9, loopbeen 17 — 18 mm.

Oud ?. Gelijk het oude d, doch verlengde vederen van het achterste gedeelte van het midden van den bovenkop, evenals die van het voorste gedeelte hoog citroengeel, zeer zelden met een enkele oranjekleurige veder er tusschen. Vleugel 51—55, staart 37 — 43, snavel 7 — 9, loopbeen 17 — 18 mm.

Jeugdkleed. Bovenzijde van kop en verdere bovendeelen geelgroenachtig grijs; onderdeelen bruingroenachtig grauwwit; vleugels en staart als bij de ouden. In het eerste herfstkleed gelijken de jongen op de ouden, echter is de bovenkop van enkele dd in het eerste jaar, naar het schijnt, gelijk gekleurd als die der ??.

Voorkomen en levenswijze. Het goudhaantje bewoont in den broedtijd hoofdzakelijk sparrenbosschen, maar ook wel gemengde bosschen, parklandschappen en tuinen, waar slechts weinige sparren bijeen staan. Zoodoende is het vooral in het oosten van ons land een vrij algemeene broedvogel en nestelen er in de duinstreek slechts een gering aantal paren; wellicht broedt het in de laatste jaren ook op eenige van onze waddeneilanden, waar sedert het einde der 19e eeuw verscheidene honderden hectaren naaldhout zijn aangeplant. Buiten den broedtijd is het goudhaantje op den trek een gewone verschijning. Vooral in het najaar kunnen soms groote aantallen bij ons voorkomen. De eerste voorwerpen worden doorgaans tegen het einde van Augustus waargenomen, de meeste trekken in October en de laatste nog in de tweede helft van November door. De voorjaarstrek verloopt tusschen begin Maart en half Mei. Vele overwinteren in ons land en zwerven dan rond, dikwijls tezamen met verschillende soorten meezen, speciaal met de naaldhout bewonende kuif- en zwarte mees.

Buiten Nederland bewoont het goudhaantje geheel Europa. In Scandinavië en NoordRusland treft men het aan tot zoover als de sparrenbosschen gaan, in het oosten tot den Oeral, in het zuiden tot de Pyreneeën en verder in Noord-Italië en op den Balkan in Macedonië, Montenegro, Servië en Bulgarije en in Klein-Azië en den Kaukasus tot het Elboersgebergte. Het op de Britsche eilanden voorkomende goudhaantje, dat als Regulus regulus anglomm Hartert beschreven werd, is over het geheel iets grijzer van tint, speciaal aan den nek. Ook op de Azoren, op de Canarische eilanden en op Corsica en Sardinië leven eenigszins afwijkende subspecies.

Het goudhaantje, dat slechts 5^6 gram weegt, is het kleinste vogeltje van Europa en tegelijk de kleinste vertegenwoordiger van de orde der zangvogels.

Het goudhaantje is weinig schuw van aard en laat zich gewoonlijk zeer dicht naderen