is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oud ?. Gelijk het oude d, doch midden van den bovenkop geelachtig oranje of oranje-geel. Vleugel 49—53, staart 32—39, snavel 8, loopbeen 17—18 mm.

Jeugdkleed. Gelijkt op dat van de vorige soort, doch bovenzijde iets groener; streek voor en achter het oog donkerder.

Voorkomen en levenswijze. Het vuurgoudhaantje wordt vooral in het voorjaar en in den herfst in klein aantal in ons land aangetroffen, dikwijls alleen, maar ook wel in gezelschap van gewone goudhaantjes en meezen. Hier en daar blijven enkele exemplaren overwinteren, terwijl in de laatste jaren eveneens in den zomer individuen zijn waargenomen o.a. in Drente (Ardea, XV, 1926, p. 25 en XXII, 1933, p. 20) en bij Zutfen (Orgaan Club nederl. vogelk., V, 1915, pp. 95—98). Sedert 1928 werd ook het broeden van deze soort in ons land geconstateerd. De heeren J. H. PellinkhofenH. W. Klerk de Reus vonden in genoemd jaar twee nesten met eieren onder Ginneken, respectievelijk in het UI venhoutsche bosch en in het Liesbosch, terwijl de heer H. J. Hogeslag Jr. in de jaren 1931 en 1933 het broeden constateerde op het landgoed ,,'t Smalenbroek" in de gemeente Lonneker. Een nest met 1 ei van deze laatste localiteit bevindt zich thans in de collectie van 's Rijks Museum te Leiden. Overigens is het vuurgoudhaantje op den trek waargenomen van eind Augustus tot begin November, het meest in September, en in het voorjaar van begin Maart tot ongeveer half Mei.

Het schijnt, dat het vuurgoudhaantje zijn verspreidingsgebied, dat in hoofdzaak Midden- en Zuid-Europa omvat en verder Noordwest-Afrika en Klein-Azië, in noordwestelijke richting uitbreidt, want ook in Groot-Brittannië, in de provincie Lancashire, en in Denemarken werd de soort in de laatste jaren als broedvogel vastgesteld.

Evenals het gewone goudhaantje bewoont ook het vuurgoudhaantje in den broedtijd naaldhoutbosschen, waar het voor het ophangen van zijn nest, dat den vorm heeft van een diep, komvormig napje, aangewezen is op de horizontale takken van Picea- en Abies-soorten. Het nest wordt vrijwel alleen door het ? gebouwd, dat daarbij veelal door het 6 wordt vergezeld. Het bestaat uit mos, insectenspinsels, haren en volop veeren en bevindt zich meestal op vrij groote hoogte boven den grond. Het legsel bestaat uit 7 — 12 eieren, die een donker rose tint hebben en die met eenige donkere stippen en vlekjes geteekend zijn. In uitgeblazen toestand gaat de rose tint meer in het vleeschkleurige over. De eieren meten gemiddeld 13.5 mm. in lengte en 10.3 mm. in breedte. In ongeveer 13 dagen worden de jongen uitgebroed en 2 weken later kunnen zij het nest verlaten. Ook buiten het nest worden zij nog eenigen tijd door de ouden gevoederd. Doorgaans worden twee broedsels gemaakt, het eerste begin Mei, het tweede begin Juli.

Het vuurgoudhaantje is in het vrije veld zeer goed van het gewone goudhaantje te onderscheiden. Het is doorgaans beweeglijker en ook iets schuwer en heeft een scherper lokroep. Verder zijn vooral de witte wenkbrauwstreep en ook de donkere streep door het oog, het meer oranjegele kuifje op den kop en de goudgroen glanzende schouder-