is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar de bodem 's zomers zoo hard wordt, dat de roek daarin niet meer kan boren, ontbreekt hij als broedvogel. Hij is hier echter een talrijke wintergast, die bij uitzondering tot in Algiers, Palestina en het noordelijk deel van Egypte zuidelijk gaat.

Reeds vroeg in het voorjaar, soms reeds in December, ziet men de vogels, die bij ons overwinteren, eenige korte morgenuren op de broedplaatsen doorbrengen. Deze bezoeken herhalen zich meer en meer en blijven alleen bij slechte weersgesteldheid achterwege. In Maart wordt in den regel met den bouw of herbouw van het nest begonnen, waartoe de vogels in naburige boomen overal druk takken afbreken, maar deze ook wel van den grond opzoeken. Behalve 's nachts heerscht er nu in de kolonie voortdurend een oorverdoovend lawaai, want als typische kolonievogel doet de roek geen moeite om zijn nestplaats geheim te houden en allerlei onderlinge ruzie's over nestmateriaal en de plaats van het nest worden er onder onafgebroken gekrakeel beslecht. De nesten worden meestal gebouwd in de kruinen van hooge boomen, op iepen langs de wegen en de stadswallen in het hollandsche polderland, op canada's langs onze groote rivieren of in de eikenbosschen op de zandgronden van Drente en Gelderland. Ook op dennen zijn de nesten soms gebouwd. In tegenstelling tot het nest van de kraai is het roekennest meer met dor gras, stroo en haar en minder met wol en lompen gevoerd. Einde Maart, begin April worden de 3—5, soms 6 en zelden 7 eieren gelegd. Zij zijn iets kleiner dan kraaieneieren en op een licht, blauwgroene grondkleur met talrijke grauwe en bruine vlekken overdekt. Van 69 exemplaren uit Nederland bedraagt de lengte 33.25—46.25 mm. en de breedte 26.25—3° mm- Het schijnt, dat ook het 6 aan het broeden deelneemt, maar meer nog rust op hem de taak om het broedende $ van voedsel te voorzien. Aangezien reeds dadelijk na het leggen van het eerste ei met broeden wordt begonnen, komen de jongen na 17 èl 18 dagen met eenig onderling tijdsverschil uit het ei. Direkt na de geboorte zijn zij aan hun bruinzwarte kleur van alle andere, inheemsche corviden-jongen te onderscheiden. Zij zijn slechts spaarzaam met dons bedekt en krijgen na eenige dagen een donker paarse tint. De keelholte is donkerrood, de mondhoekplooien zijn dun en weinig opvallend van kleur, maar zij zijn sterk in de breedte ontwikkeld. Evenals de oude zijn ook de jonge roeken in het nest erg luidruchtig en laten zij haast onophoudelijk hun heesch stemgeluid hooren. In dezen tijd ziet men de oude vogels van alle kanten in hun bol ge vulden keelzak voedsel aandragen en de bodem onder de nesten ligt dikwijls bezaaid met allerlei voedselresten, vooral brokken van uitgebraakte graandoppen gemengd met steentjes. Want de roek doet zich op het bouwland graag te goed aan ontkiemend graan en verder aan erwten, knolletjes, pootaardappelen enz. Al kan hij zoodoende soms plaatselijk belangrijke schade aanrichten, zoo mag men den roek toch niet tot de in hoofdzaak schadelijke vogels rekenen, want op het grasland en op de akkers, waar het gewas reeds wortel geschoten heeft, verdelgt hij ontelbare insecten, wormen en millioenpooten en bij een meikeverplaag is hij een der beste bestrijders. Ook schijnt hij dikwijls alleen de door ritnaalden aangetaste plantjes uit den grond te trekken, terwijl men heeft waargenomen, dat hij bij het ontkiemend graan vaak de korrel bij het kiem-