is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jeugdkleed. Bovenkop donker bruingrijs met zwakken glans; teugels en omgeving van den mondhoek bruinzwart; oordekvederen bruingrijs, eenigszins glanzend; achterhals en halszijden grijsbruin; rug, schouders, stuit en bovenstaartdekvederenleikleurig zwart met zwakken groenachtigen glans; kin, keel, voorhals, borst, buik, lichaamszijden en onderstaartdekvederen grijsbruin; vleugels en staart als bij de ouden. Iris blauwgrij sachtig.

Het eerste herfstkleed gelijkt op het kleed der ouden, het grijs van den hals is iets donkerder en vleugels en staart zijn iets valer. Tegen den zomer wordt bij de jongen, en ook bij de oude vogels het grijs van den hals iets lichter.

Partieele albino's komen bij deze soort nog al eens voor.

Voorkomen en levenswijze. De kauw is in ons geheele land, met uitzondering van de waddeneilanden, een algemeene broedvogel, die steeds in grootere of kleinere groepen nestelt, veelal in oude kerktorens, groote schoorsteenen of lanen met oude, holle boomen, in Zuid-Limburg ook in de mergelrotsen. Vrij geregeld nestelt zij verder temidden der grootere roekenkolonies, in de klompen van overjarige nesten, terwijl plaatselijk, o.a. nabij Arnhem (Orgaan Club nederl. vogelk., V, 1932, p. 18) verscheidene paren in konijnenholen broeden. Een enkele maal is ook broeden in open nesten buiten een roekenkolonie waargenomen.

Onze broedvogels zijn bijna uitsluitend standvogels, die ook 's winters in de wijdere omgeving van de broedplaats zijn aan te treffen. Hun aantal neemt in den herfst nog aanmerkelijk toe, doordat troepen kauwen uit noordelijker en oostelijker streken dan op den doortrek ons land passeeren. Een gedeelte van deze doortrekkers blijft hier den winter over. In het voorjaar heeft de terugtrek plaats van de tweede helft van Februari tot in de tweede helft van Mei. In gezelschap van roeken ziet men ook deze soort in het najaar naar Engeland oversteken en in het voorjaar weer uit Engeland terugkomen. Sporadisch zijn er onder de van elders komende kauwen exemplaren aangetroffen van de noordsche kauw, Coloeus monedula monedula (Linnaeus), die Zuid- en Midden-Zweden bewoont, noordelijk tot ongeveer 63V20 N.B. Laatstgenoemde subspecies verschilt van onze kauw maar zeer weinig. Alleen de bevedering van de onderzijde is bij de noordsche kauw iets lichter van kleur en de bases van de lichaamsveeren zijn meest ook iets lichter. Verder vindt men bij dezen noordelijken vorm soms een lichte vlek op zij van den hals, maar deze vlek, die men op plaat 355 bij het oude 6 in den linker bovenhoek ziet afgebeeld, kan bij monedula ook ontbreken en bij onze kauw, die als Coloeus monedula spermologus (Vieillot) wordt onderscheiden, voorkomen. Grootere seriën zijn dan ook noodig om de verschillen te kunnen constateeren. Coloeus monedula spermologus bewoont in hoofdzaak West-Europa, met name Groot-Brittannië en Ierland, Duitschland, België, Frankrijk, de Alpenlanden, Spanje en Portugal tot Gibraltar; ook Marokko en verder Italië, Sardinië, Tsjecho-Slowakije, Oostenrijk en Hongarije. Nauwverwante vormen vindt men in Noord-Algiers en in Azië.

Evenals andere zangvogels bouwt de kauw, ondanks het feit dat zij eenholenbroeder