is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vleugeldekvederen grauwwit met donkergrauwe basis; okselvederen grijswit; staartpennen donkerbruin met smallen geelachtig bruinen zoom langs de buitenvlag; onderstaartdekvederen grauwwit met donkergrauwe schachtstrepen. Iris donkerbruin; snavel zwart; pooten vleeschkleurig bruin. Vleugel 76 — 83, staart 57 — 68, snavel 11 —12, loopbeen 18 — 19 mm-

Oud $. Voorhoofd, bovenkop, achterhoofd en achterhals grauwgrijsachtig bruin; streep achter het oog bruinachtig geel; vederen van bovenrug en schouders op de buitenvlag geelbruin, op de binnenvlag zwart; benedenrug, stuit en bovenstaartdekvederen grauwgrijsachtig bruin; zijden van kop en hals grauwgrijsachtig bruin, benedenhals geelachtig bruin; kin, keel en voorhals licht geelachtig grauwgrijs, door de donkere basis van de vederen min of meer donker grauwgrijs getint; borst en lichaamszijden grijsachtig bruin, min of meer geelbruin getint; lichaamszijden onduidelijk langsgestreept; buik grauwwit; vleugels als bij het d, doch zoomen langs de buitenvlag van de slagpennen vaal bruinachtig geel, kleine bovenvleugeldekvederen grauwbruin, middelste bruinzwart met licht bruinachtig gelen eindzoom, groote bruinzwart met breeden vaal bruinachtig gelen zoom langs de buitenvlag en aan het einde; ondervleugeldekvederen geelachtig wit, aan de basis grauwgrijs; okselvederen geelachtig wit; staartpennen als bij het cf, doch valer; onderstaartdekvederen geelbruinachtig wit met grauwbruine schachtstrepen. Iris donkerbruin; snavel grauwbruin, aan de basis geelachtig; pooten vleeschkleurig bruin. Vleugel 74 — 80, staart 55—65, snavel 11—12, loopbeen 18 — 19 mm-

Oud d in herfstkleed. Gelijkend op het bovenbeschreven oude 6, doch vederen van bovenkop, halszijden, achterhals en verdere bovendeelen van geelachtig grauwe, van kin, keel, voorhals en borst van grijsachtig grauwe zoomen voorzien, die tegen het voorjaar meer en meer afslijten. Snavel grauwbruin, aan de basis geelachtig.

Oud ? in herfstkleed. Gelijk het bovenbeschreven ?, doch vederen van boven- en onderdeelen, evenals bij hete?, van later afslijtende geelachtig grauwe zoomen voorzien.

Jeugdkleed. Gelijkend op het kleed van het oude ?, doch bovendeelen iets valer en onderdeelen grijzer, niet geelbruin getint. Iris donkerbruin; snavel grauwbruin, punt en basis ondersnavel geel; pooten vleeschkleurig grauw, onderzijde van de teenen geelachtig.

Het eerste herfstkleed van de jongen gelijkt op dat der oude vogels.

Voorkomen en levenswijze. De huismusch is in ons geheele land een zeer algemeene en meest zeer talrijk optredende standvogel, die vrijwel uitsluitend voorkomt in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen, zoowel in onze steden en dorpen, als bij vrij in het veld gelegen boerenbehuizingen. Bij woningen, die midden in het bosch gelegen zijn, treft men haar minder aan. Schnurre (Die Vögel der deutschen Kulturlandschaft, 1921, p. 12) heeft er in dit verband op gewezen, dat zoowel de huis- als de ringmusch, wat hun voorkomen betreft, direkt of in sommige gevallen ook indirekt, afhankelijk is van den menschelijken landbouw, welke afhankelijkheid men