is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke gewesten van haar verspreidingsgebied van zwerf- tot trekvogel geworden is (l.c., p. 639), ofschoon zij strenge koude zonder bezwaar kan verdragen en in Duitschland enkele malen overwinterend is aangetroffen. In Groot-Brittannië en Ierland, vooral aan de kust van Sussex, is zij nog slechts op den trek voorgekomen. Wat ons land betreft, vermeldde Temminck reeds in 1815 (Manuel d'Ornithologie, p. 214), dat de europeesche kanarie in Nederland een zeldzame en toevallige verschijning was, hetgeen echter door Schlegel in 1854-'58 en 1860 niet werd bevestigd, want in geen der beide uitgaven van „De Vogels van Nederland" is de soort opgenomen. Koller (Bijdragen tot de Dierkunde, Feestnummer, 1888, p. 39) maakt melding van een 6-tal vangsten uit de jaren 1881 —1887, alle gedurende de maanden September tot en met November. Sindsdien is zij volgens Albarda (Aves neerl., 1897, p. 16) en Snouckaert van Schauburg (Avifauna neerl., 1908, p. 14) gaandeweg talrijker waargenomen, behalve in het najaar, ook in den winter en in het voorjaar, doch pas in 1922 werd het broeden van deze soort bij Rolduc (L.) geconstateerd (Jaarbericht Club nederl. vogelk., XII, 1922, p. 52). In de omgeving van Roermond was zij sedert 1905, in die van Valkenburg (L.) en Steijl (L.) sinds 1918 en 1919, misschien reeds eerder, in het voorjaar geregeld aan te treffen. Bij Valkenburg werd het eerste nest in 1924 gevonden, waarna in de jaren 1925 t/m 1929 een duidelijke toename van het aantal vogels in den broedtijd viel waar te nemen, die in 1930 voor een geringen teruggang plaats maakte (Hens, Avifauna v, Limburg, 1926, p. 39 en ie en 2e aanvulling, 1932, pp. 8 en 12). In 1923 heeft de soort waarschijnlijk in de omgeving van Enschede genesteld: 2 dd werden er van einde Mei tot einde Juli, met een korte onderbreking, zingend waargenomen (De Levende Natuur, XXVIII, 1923/1924, pp. 96 en 158). In 1927 broedde de soort bij Velp (Ardea, XVI, 1927, p. 144) en in 1929 werden 2 paartjes gezien bij Wageningen (Ardea, XIX, 1930, p. 29). Zwervers werden ook in het noorden en westen van ons land bij herhaling gesignaleerd (Club nederl. vogelk., Jaarbericht XVII, 1927, p. 109 en Orgaan, III, 1930/1931, pp. 64 en 135), zoodat men kan zeggen, dat de europeesche kanarie thans in het voorjaar in Limburg een vrij algemeene, in het midden en westen van het land een zeldzame doortrekker is en wel van einde Maart en begin April (soms reeds eerder: Houthem, 14 Maart 1926) tot ongeveer half Mei en in den herfst tot laat in November en zelfs nog in December ($, Harderwijk, 7 December 1911; Ardea, I, 1911, p. 24).

De europeesche kanarie en de wilde kanarie, Serinus canarius canarius (Linnaeus), van de Canarische eilanden, Madeira en de Azoren, die iets grooter en eenigszins anders gekleurd is, worden als subspecies van dezelfde soort beschouwd. In 1914 werden de in Zuid-Duitschland en Silezië voorkomende europeesche kanaries, die iets groener van tint waren dan de voorwerpen uit het Middellandsche zeegebied, als afzonderlijke subspecies, Serinus canarius germanicus Laubmann beschreven. Nadien is echter gebleken, dat de groene tint een gevolg was van verontreiniging door roet, afkomstig uit fabrieksschoorsteenen, locomotieven, stoombootpijpen enz., hetgeen men niet alleen microscopisch kan vaststellen, maar ook daadwerkelijk kan aantoonen: het