is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Kleinschmidt voorgesteld heeft om Emberiza leucocephala en Emberiza citrinella als geografische vormen van een en dezelfde soort op te vatten. Hiertegen pleit evenwel, dat beide gorzen in uitgestrekte gebieden van West-Siberië naast elkaar voorkomen. De witkopgors schijnt een zekere voorliefde te hebben voor bergachtig terrein en zij houdt zich daar graag op aan de oevers van beken en meren. In leefwijze en ook wat haar voortplanting betreft, verschilt zij evenmin noemenswaard van de geelgors. Het nest is een klein kuiltje in den grond, bekleed met grashalmen en meestal verstopt onder een struik; van binnen is het met paardenhaar gevoerd. Gewoonlijk worden 2 broedsels per jaar gemaakt, het eerste tegen einde Mei, het tweede in Juli. Het legsel telt 4 k6 eieren, die sterk aan geelgorseieren doen denken en waarvan de gemiddelde afmetingen, volgens Jourdain, 21.48X16.1 mm. bedragen. Zij worden alleen door het ? uitgebroed. De jongen worden grootgebracht met insecten, vooral met jonge sprinkhanen, orthoptera en cicaden, maar de volwassen vogels voeden zich met allerlei plantenzaden.