is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weersgesteldheid naar het schijnt op gelijke wijze beïnvloed wordt. Tot dusverre is slechts de terugvangst van één op den trek geringden ortolaan bekend, nl. nr. A 10830, een d, dat 10 September 1932 op het „Ringstation Wassenaar" werd geringd en dat 9 Mei 1934 te Resteau bij Port Sainte Marie, Dept. Lot-et-Garonne in Frankrijk werd teruggevangen en weer losgelaten. Enkele exemplaren vliegen zich dood tegen onze vuurtorens (Ardea, XV, 1926, p. 71).

Buiten Nederland komt de ortolaan voor in geheel Europa en West-Azië. In Noorwegen gaat hij noordelijk tot 69° 45' N.B., in Zweden en Finland tot benoorden den poolcirkel; in Zuid-Europa bewoont hij het Middellandsche zeegebied van Spanje tot Griekenland en ook Noordwest-Afrika, maar in zijn geheele woongebied is hij min of meer onregelmatig verspreid. In Groot-Brittannië en Ierland wordt hij slechts op den trek en in klein aantal waargenomen. In Azië vindt men hem van Klein-Azië en Syrië tot in Oost-Perzië, Afghanistan en Kobdo in westelijk Mongolië. In den winter trekt hij zuidelijk tot in Noord- en West-Afrika, Abessynië en sporadisch ook in Kaschmir. Van den ortolaan, die een echte trekvogel is, zijn geen subspecies beschreven. Wel kent men, behalve den bruinkeel-ortolaan, in Zuidwest-Azië een gors, Emberiza buchanani Blyth, die zeer veel op onzen ortolaan gelijkt; maar bij buchanani zijn bovenkop en mantel grijzer en de keel is grauwwit in plaats van geel.

De ortolaan bewoont in ons land, in tegenstelling tot de grauwe gors, die zich meer tot de zware klei aangetrokken schijnt te voelen, meestal de lichtere gronden, liefst houtrijke streken, waar landwegen met hoog opgaand geboomte de rogge- en aardappel akkers doorsnijden en in de nabijheid eenig water te vinden is. Hier verraadt hete? zijn aanwezigheid in de maanden Mei tot en met Juli door zijn karakteristieken zang, die eenigszins doet denken aan dien van de geelgors. Hij is echter meer fluitend en de slot toon is lager in plaats van hooger; door „trïï trü trü, tri tri tri ïïrr" wordt hij zeer goed weergegeven. Daarbij is het „tri" hooger dan het „trü"; het „ürr" is steeds het laagst van toon, lager dan de beide andere. Soms laat hij echter den slottoon weg. Het geluid komt dikwijls uit de kroon van een eik, populier of anderen loofboom, want de vogel houdt er van zijn lied van af een verheven uitkijkpost te laten klinken. Niet altijd zit hij echter zoo goed verscholen, want ook ziet men hem wel op een telegraafdraad, op boonenstokken of op een hekpost zijn zang ten beste geven. Soms wonen enkele paren dicht in eikaars nabijheid. De lokroep klinkt als „ju jï"; soms lokt de vogel levendiger en krijgt men een geheele serie toonen te hooren, ongeveer klinkend als „jujujujïju juji". Komt men in de buurt van het nest, dan roepen de ouden een paapjes-achtig „juup"; zijn er reeds jongen, die gevoederd moeten worden, dan ziet men hen voor zij naar het nest vliegen, eerst met het voedsel in den snavel op een boomtop plaats nemen om de omgeving te overzien. Zij zijn dan erg wantrouwend en blijven, wanneer men zich niet verwijdert, eindeloos talmen en „juup" roepen. Het nest ligt in den regel op den grond, veelal op braak liggende of slecht bebouwde graanakkers, ook wel in een dichte onkruid vegetatie onder beschutting van een boom of struik. Het bestaat uit dorre grashalmen, wortels enz. en is van binnen gevoerd met fijne worteltjes