is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruinachtig gelen zoom langs de buitenvlag en met iets lichteren eindzoom; ondervleugeldekvederen geelwit, aan de basis grauw; okselvederen bruingeelachtig wit; staartpennen donkerbruin met smallen, licht grijsachtig geelbruinen zoom langs de buitenvlag en met smallen bruingeelachtig witten eindzoom; bovenstaartdekvederen grijsachtig bruin met zwartbruine schachtstrepen en valere zoomen; onderstaartdekvederen geelachtig of bruingeelachtig wit met smalle zwartbruine of donkerbruine schachtstreep. Iris donkerbruin; snavel geel, punt en rug van den bovensnavel donkerbruin; pooten bruinachtig geel. Vleugel 91-108, staart 68—88, snavel 11-12, loopbeen 23—24 mm.

Oud ?. Gelijk het oude ó. Vleugel 91 — 104, staart 70—83, snavel 11, loopbeen 23- 24 mm.

Jeugdkleed. Gelijkend op het kleed der oude vogels, doch bovenzijde warmer geelbruin en onderzijde iets sterker geelbruin getint.

In het herfstkleed is bij de oude vogels de kleur der bovendeelen en van borst en lichaamszijden meer bruingeel dan in voorjaar en zomer.

Voorkomen en levenswijze. De grauwe gors is eenigszins grillig over ons land verspreid. Een talrijke broedvogel is zij in de landbouwpolders van noordelijk Groningen en de aangrenzende gedeelten van Friesland; minder talrijk, maar plaatselijk toch vrij algemeen, treft men haar aan in Limburg, vooral langs de Maas, van Maastricht tot Mook, maar ook hier en daar op de nieuwe ontginningen aan den rand van de Peel, o.a. te Meijel. Verder komt zij voor langs de groote rivieren in Gelderland, westelijk tot Hardinxveld aan de Merwede en in de omgeving van Nederhemert en Heusden. Soms treedt zij plotseling als broedvogel in een bepaalde streek op, bv. in 1933 in de Geldersche vallei bij Wageningen (Ardea, XXIII, 1934, p. 66), om even onverwacht weer te verdwijnen. In het einde der vorige eeuw was zij volgens Albarda (Aves neerl., 1897, p. 20) ook op Ameland broedvogel, maar in 1908 was zij daar reeds verdwenen. Buiten de genoemde gebieden wordt de soort op den trek weinig aangetroffen. Wel zijn uit de laatste jaren waarnemingen van Texel, Schokland en Hoek van Holland, en in Juli ook van Breskens bekend, maar daar staat tegenover, dat de soort door het „Ringstation Wassenaar" in de jaren 1927—1934 geen enkele maal werd gezien. In het zuiden van ons land verloopt de trek van midden September tot einde November en in het voorjaar van Februari tot in de tweede helft van April. Een groot aantal blijft den winter bij ons over. Bij uitzondering verongelukt een enkeling tegen een van onze vuurtorens, o.a. een d in den nacht van 19/20 November 1930 te Schiermonnikoog (Ardea, XX, 1931, p. 80).

De grauwe gors bewoont bijna geheel Europa, Afrika ten noorden van de Sahara en het westelijk deel van Azië. In Europa komt zij voor tot in het zuiden van Zweden, in Denemarken en in Groot-Brittannië en Ierland en verder in geheel Midden- en ZuidEuropa, waar zij vooral in Spanje talrijk is. Ook op de Canarische eilanden, in Noordwest-Afrika en in Egypte treft men haar aan en van daar oostwaarts door Klein-Azië