is toegevoegd aan uw favorieten.

De spoorwegwetgeving

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de spoorwegwet. artt. 31 en 36.

De rëchter, lettend op de mate van onvoorzichtigheid van den benadeelde, bepaalt het bedrag der vergoeding op dat van de helft der schade. Als beginsel behoort te worden gesteld dat een ieder, die rails oversteekt op een plaats waar gelijk in het onderhavige geval (Handelskade Amsterdam) van beide zijden verkeer is te verwachten, naar links en rechts behoort te zien, en dat degeen, die dit niet doet, aan eigen onvoorzichtigheid heeft te wijten, indien hem een ongeluk treft.

Plaatselijke omstandigheden kunnen echter een afwijking van dit beginsel rechtvaardigen en dergelijke omstandigheden deden zich hier voor.

Hof Amsterdam 8 Febr. 1915, W. v. h. R. no. 9825.

Cassatieberoep verworpen H. R. 4 Febr. 1916, W. v. h. R. no. 9949.

Zie ook Hof Amsterdam 24 Maart 1916, W. v. h. R. no. 9975.

Art. 31.

Wijziging van de tarieven van eene spoorwegmaatschappij werkt voor de toekomst; onder het oude tarief aangegane verbintenissen, waarbij de maatschappij zich zonder beperking tot vervoer heeft verbonden, worden door zoodanige wijziging niet opgeheven.

Gedaagde is niet gerechtigd de door haar afgegeven vervoerbiljetten tegen den wil van den rechthebbende in te houden, moet deze teruggeven, en is bij gebreke daarvan tot schadevergoeding verplicht.

Ktgr. Amsterdam 10 Juli 1917, W. v. h. R. no. 10162.

Art. 36.

Invloed van de verbodsbepaling van art. 36 op de waardebepaling bij onteigening van aan den spoorweg grenzend terrein in het belang der volkshuisvesting. De afstand is niet te nieten van de omrastering van het spoorwegemplacement, maar van de vlaktebaan van den spoorweg.

Rb. Amsterdam 14 Febr. 1916, W. v. h. R. no. 9904.