is toegevoegd aan uw favorieten.

Oud Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is het de vraag, of een vrije burgerhandel mogelijk geweest zou zijn zonder de Compagnie in allerlei moeielijkheden te wikkelen met vreemde potentaten, gegeven het ruw en losbandig karakter dezer burgerij en de noodzaak, die zich dikwijls aan hen zou hebben opgedrongen, om door de Compagnie moreel en ook materieel te worden gesteund tegen knevelarij en machtsmisbruik in vreemde havensteden. Men bedenke daarbij, dat destijds niemand de toekomstige uitbreiding van het Nederlandsch gezag kon voorzien. Men rekende enkel met het stadje Batavia en zijne defensie, en het is niet te verwonderen dat in den regel het belang eener handvol gewapende burgers meer of minder niet bijster zwaar woog. In 1654 was het aantal hunner ongeveer 270 manspersonen „ende onder deselve al veel goede luijden, die haer eerlijck § 20i. trachten te sustenteren", schreef de Regeering. De overzeesche handel der burgerij was destijds vrijwel verdwenen. Zij had in de laatste jaren van Van der Lijn's bestuur een kwaden tijd doorleefd, terwijl sommige Chineezen op allerlei wijzen waren bevoordeeld, o.a. door verstrekking van voorschotten. De ambtenaren hadden bovendien zoowel door hun particulieren handel als door hunne bouwondernemingen en hunne bodemerijcontracten met de Chineesche scheepsreeders, ja zelfs door de hun verleende octrooien, de burgerij zulk eene concurrentie aangedaan, en de belastingen bijwege van hoofdelijken omslag waren zoo drukkend geworden, dat een groot aantal burgers, na vergeefs zijne belangen bij de Indische Regeering te hebben voorgedragen, zich in 1649 en 1650 bij rekest tot de Staten-Generaal had gericht om redres van grieven 1). Veel gevolg had dit niet. De Indische Regeering schreef, dat het hun enkel te doen was om wat bij elkaar te brengen en dan te repatrieeren. Zooals dat in Indië veelal gaat, de leiders dezer adresbeweging vertrokken weldra naar

1) Zie onze photo van het slot van het rekest van 10 Jan. 1650, No. J 9.