is toegevoegd aan uw favorieten.

Oud Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achtig kleedingstuk van bonte of gekleurde stof was, met eene sjerp of band met kwasten om het middel. Beiden droegen verder een sarong, die altijd „kleedje" wordt genoemd. De toka 1), een over den linkerschouder hangende sluier, versierd met zilveren of gouden boordsel, schijnt speciaal doof Mixtieschen gedragen (photo L 2a). In de 18e eeuw werd de kabaja, als men uitging, liefst van eene witte kleur genomen; ook reikte zij toen niet meer tot de voeten, en men had zelfs eene nog kortere soort, die bij familiaar bezoek werd gedragen 2). De mouwen waren om den onderarm zeer nauw en gesloten met knoopjes. In plaats van het „kleedje" wordt in de 18e en het begin der 19e eeuw bij de kabaja ook wel de saja gedragen 3), een rokje van wit of gekleurd katoen met zeer vele gesteven plooien, dat met een band om het middel werd gesloten. Een paar muilen met omgekrulde punten voltooide dit costuum.

1). Het Portugeesche touca, dat eigenlijk een hoofddoek beduidt, die daarom in de Compagniestaai wel took heet.

2). Men zie onze photo L 7 van Mevrouw Engelhard's portret. Uit de rekening der uitgaven voor een Mixtiesch weesmeisje 1769 bespeurt men, dat zij op haar mooist was als ze de „lange mixtiese cabaaij" droeg, die 8 Rds. kostte en twee jaar mee moest. Onze photo's naar Rach vertoonen hier en daar die „lange mixtiese cabaaij". Zie bijvb. K 1.

3). In 1697 ontmoeten wij reeds in inventarissen het woord tjaya, wat echter eene stof schijnt te beduiden, niet een kleedingstuk. In het Po-tugeesch is saja: onderrok.

Eigenaardig is, dat door de dames te Lima in Peru een zeer nauwe en geplooide rok werd gedragen, die saya heet en behalve in de stof geheel met de Bataviasche saja overeenkomt. Hoe deze dracht herwaarts zou zijn overgewaaid, is niet te raden.