is toegevoegd aan uw favorieten.

Oud Batavia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stadsbinnengracht in het noorderdeel van blok S 2, tegenover het latere kruithuis Petruszorg. Deze laatste school, oudtijds betiteld als de school in het Bandaneesch kwartier, waar Meester Cornelis in het Maleisch les had gegeven, werd vervolgens de belangrijkste van alle, toen de kinderen der Mardijkers van de Oostervoorstad er in het Portugeesch les kregen. Zij telde in 1691 niet minder dan 230 leerlingen en wordt sedert aangeduid als de school binnen de Rotterdammerpoort. In 1812 stond zij leeg en werd toen verkocht. De echte schoolbuurt was evenwel de Rhinoceros- of Spinhuisgracht westzijde, waar men drie Compagniesscholen had en nog bovendien de Chineesche school van het Chineesch Hospitaal (§ 636). Buiten de muren waren er drie Compagniesscholen: die in de Zuidervoorstad bij het fortje Buren, later verplaatst, die buiten de Utrechtsche poort aan 3e noordzij der Ammanusgracht en die buiten de Rotterdammerpoort, welke misschien pas in het laatst der 18e eeuw is geopend ter aanvulling van de school aan de ongezonde gracht binnen die poort.

§ 1405. Omtrent het aantal leerlingen dezer scholen verluidt verder niets, totdat in 1778 eene krampachtige poging werd gedaan om het onderwijs en daarmede de evangelisatie te bevorderen. Met zoeten dwang werd toen de schoolbevolking opgedreven tot 549 „stux" jongens en meisjes, daaronder Chineesjes, Mohammedaantjes en slavenkinderen. In 1800 was het totaal beneden de 200 gedaald. Anno 1812 schijnt nog alleen de school in het Weeshuis en die van het Armhuis te hebben bestaan; deze laatste telde slechts 16 leerlingen, meest meisjes, die er naaiwerk kwamen leeren. De school in het Weeshuis bestond nog in 1820. Die bezuiden het Chineesch Hospitaal werd datzelfde jaar afgebroken.

Het toezicht op de scholen berustte bij den Kerkeraad. Bij de oprichting der eerste Latijnsche school in 1642 werd echter een College van Curatoren en Scholarchen ingesteld, dat voortaan dit toezicht uitoefende en, bij het tanen van het aanzien des Kerkeraads, meer en meer diens plaats innam