is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de staatscommissie in zake de financieele verhouding tusschen het Rijk en de Gemeenten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In haar schrijven van 12 Mei 1923 stelde de Commissie, Brief van 12 Mei 1923 alvorens haar systeem in een wetsontwerp uit te werken, de No' 48'

vraag aan den Minister, of het bedrag, dat in totaal volgens het systeem der Commissie voor 1923 noodig zou zijn, inderdaad door de Regeering beschikbaar zou worden gesteld.

Daarop antwoordde de Minister den 18en Mei, dat hij met groote belangstelling van den brief der Commissie had kennis genomen. Hij voegde daaraan toe:

„Het komt mij intusschen voor aanbeveling te verdienen, dat de Regeering haar eindoordeel eerst vormt na ontvangst en gezette overweging van het door Uwe Commissie in te dienen rapport.

Evenwel zij mij reeds thans de opmerking geoorloofd,

dat het naar mijn aanvankelijken indruk wel gewenscht ware, dat de Commissie haar thans in te dienen voorstel beperkte tot de materie der nooduitkeering en hieraan niet verbond een element der definitieve herziening,

als in den aanvang van den brief staat vermeld. Het zal toch wellicht bezwaarlijk voor de Regeering en voor de Staten-Generaal zijn, ten aanzien van dat element reeds een beslissing te nemen, alvorens de volledige denkbeelden der Commissie in zake de definitieve herziening te kennen.

Gaarne zie ik Uw voorstel zoo spoedig als U dit doenlijk is tegemoet."

In haar den 31en Mei 1923 gedateerden brief n°. 50 bood Brief van 31 Mei 1923. de Commissie daarop een den 29sten Mei van dat jaar vast- (Bijlage III).

gesteld voorloopig rapport aan den Minister aan, waarin in de eerste plaats de hierboven geschetste geschiedenis van de werkzaamheden der Commisie tot op dat tijdstip uitvoerig wordt verhaald en waarin vervolgens het advies deiCommissie wordt uitgebracht over een eventueel aan de gemeenten na 1922 toe te kennen nooduitkeering. Dat laatste advies was bovendien in een wetsontwerp, dat aan het advies was toegevoegd, nader uitgewerkt.

Dit advies, dat later in de dagbladen is gepubliceerd (o. a.

met enkele drukfouten in het avondblad van de N. R. Ct.

van 8 Juni 1923), is als bijlage III hierboven opgenomen.

In dien brief verklaarde de Commissie bovendien eerlang (d. w. z. nadat de cijfers van de gemeenterekeningen over 1924 voldoende materiaal zouden hebben verschaft) aan de Koningin een rapport te zullen aanbieden, betreffende de resultaten van haar onderzoek, hoe op de meest doeltreffende wijze de financieele verhouding tusschen het Rijk en de Gemeenten zal zijn te regelen.

Mijne Heer en, INSTALLATIEREDE

van den

Het zij mij vergund U in de eerste plaats den dank der Minister van Financiën n • .ï , tt iii mi ii. van 1 September 1921.

Kegeering te brengen, dat (jij U wel hebt willen belasten

met de moeilijke taak, die het lidmaatschap dezer Staatscommissie oplegt. Het vraagstuk der financieele verhouding tusschen het Rijk en de gemeenten is niet van vandaag of gisteren. Nadat men na lang zoeken in 1897 eene bevredigende oplossing meende gevonden te hebben, bleek reeds enkele jaren later, dat groote fouten haar aankleefden,

inzonderheid in zoover zij aanpassingsvermogen miste aan