is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatschappij. Dit over en weer ruilen heet in Atjèh toekö1 -moekö', in Gajö toekörtakir. Zoo verkoopen Atjèhsche zoutaanmakers hun zout nog vaak aan handelaars door ruiling met rijst; ook pinangverkoopers ruilen hun product dikwijls in tegen tabak, rijst, gambir en dergelijke. De bovenbedoelde handel aan de z.g. pangkalan's in het Singkelsche is geheel op ruil gebaseerd. In afgelegen streken, zooals op Simaloer, verkoopt de bevolking bij voorkeur tegen pruimtabak. In het Gajöland bewoog de handel zich tot voor kort eveneens langs den ouden weg van ruilhandel. „Voor bedragen beneden een boesoe' (zilveren muntje vroeger als pasmunt in omloop) kocht men niet, maar ruilde men, of gaf men hetgeen de buurman noodig had, aan dezen ten geschenke, te zijner tijd op gelijk hulpbetoon rekenend. Het zijn vooral de vrouwen, die als verkoopsters aan de overgeleverde prijzen, in weerwil van alle wijziging der markt, hardnekkig vasthouden, maar het spreekt vanzelf, dat in verband daarmede de nominale prijzen, die zij voor hetgeen zij verkoopen bedingen, vaak minder worden dan zij waren. De mannen zien dit in den regel beter in en houden bij betaling in voedings- en genotmiddelen of kleedingstukken met den stand der markt rekening". (Het Gajöland p. 381 vg.). Vooral rijst, zwart en wit gded '), gambir en zout werden, en worden ten deele nog, als pasmunt gebruikt. Zoo placht men in Gajö 8 nalih rijst — onafhankelijk van de marktwaarde — op één dollar te rekenen, zoodat men onder 1 mas (d. i. in het vroegere Atjèh '/4 dollar) 2 nalih, onder een koepang 8 are verstond. Zoo gold van een bepaalde soort zwart goed (tëlap Poelö, of tëlap Bënggölö, of tëlap mësing genoemd) 9 el (sëta) of sënaroe (d. i. de dubbele lengte van een lendekleed) voor 1 dollar, de helft daarvan voor '/2 dollar (2 mas) = 8 koepang-, 1 '/8 el, of sara badjoe, voor 2 koepang. Ook sommige soorten van wit goed hadden een ongeveer vaste verhouding tot den dollar. De gambir (katjoe) gold als pasmunt voor V200 dollar, dus Vso mas en om de rekening te vergemakkelijken voor '/12 koepang. Vier gantang's zout golden vroeger voor 1 dollar. (Het Gajöland p. 382). Ook in het Alasland was de handel, vóór onze pasmunt er algemeen in gebruik kwam, ruilhandel. Zelfs nu nog worden er bepaalde levensmiddelen met bepaalde geldswaarden aangeduid. Zoo spreekt men bij kippen bijvoorbeeld van een pëboesoekön en van een koepangön en bedoelt daar dan mede dieren van de grootte, die vroeger respectievelijk een boesoec en een koepang deden.

c. Credietwezen.

Gaan we eerst na, op welke wijzen de Atjèher zich bij eigen landgenooten crediet verschaffen kan, om daarna het van Gouvernementswege in het leven geroepen z.g. „Volkscredietwezen" in beschouwing te nemen.

1. Inheemsch credietwezen.

Geldleenen (ngoej peng of: ng. reunggét, G: mëmindjöm pèng, of: m. ringgit,

1) Men weet, dat ook in den Compagniestijd kleedjes het gewone ruilmiddel vormden bij de pepernegotie in Atjèh.

3