is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alas: namboet réjal) 1) heeft naar de adat o. a. op de volgende voorwaarden plaats:

Geldleening legen rente2).

Zooals bekend wordt niet alleen de woekerhandel, maar ook elke vorm van rentebeding3) volgens de Wet als woeker4), d. i. als een hoofdzonde gebrandmerkt 5) (vgl. Koran II: 276). De Islam wil niet, dat men den nood des broeders als een middel zal gebruiken, om winst te behalen; hij wil, dat men slechts geld leene als een weldaad uit menschlievendheid en er zich niet voor late betalen. Waar deze opvatting belemmerend bleek voor den handel, heeft men ten allen tijde in Mohammedaansche landen wegen ter ontduiking weten te vinden, liefst zonder al te veel met de letter van de Wet in openlijken strijd te komen. Ook de Atjèher stoort zich over het algemeen niet veel aan het renteverbod en de woekeraars {tjö* reunggét meulaba) vormen een gilde, dat ook in Atjèh welig tiert. De meeste woekeraars zijn z.g. Klinganeesche habib's, of afstammelingen daarvan. De rentevoet is bij geldleening onder landgenooten onbepaald, maar bedraagt onder lieden, die elkaar wederzijds vertrouwen, veelal 1V2—2% per maand, in het Alasland rekent men ais regel ƒ 1 voor elke ƒ10 in de 3 maanden. Soms wordt rente op rente berekend. Bijv. A. leent B. ƒ10 met de bepaling, dat hij hem na 6 maanden ƒ15 zal teruggeven; na verstrijking van dien termijn kan B. niet aan zijn verplichting voldoen en belooft 6 maanden later ƒ22.50 te zullen terugbetalen. Men noemt deze soort woekerwinst laba-libe (G: löbö libé, vgl. Gajö Wdbk. i. v. löbö).

Dikwijls eischt de geldschieter bij leeningen met beding van interest nog een pand bovendien (gala meulaba). Daar in zulke gevallen het doel der pandneming niet is, in dien korten tijd eenig voordeel uit het pand te trekken, maar alleen zekerheid te hebben van de restitutie van kapitaal en interest, is men dan met panden ter waarde van kapitaal en interest tevreden en eischt niet, zooals bij de eigenlijke ^ö/ö-contracten, een pand, dat op tweemaal de waarde der geleende som getaxeerd wordt (bruikpand tegenover zekerheidspand). (De Atjèhers dl. I, p. 318, The Achehnese I: 294).

1) Ngoej (G: pindjöm) — van iemand iets leenen; peungoej (G: pindjöm) = aan iemand iets leenen. Het elkaar wederkeerig leenen van geld of goederen — zooals kampoenglieden vaak doen — heet ngoej-meungoej (Q: bërsipindjömön).

2) Deze wijze van geldleenen wordt met allerlei termen aangeduid: meulaba, of: sambot, of: ngoej reunggét, of: peulaba reunggét, of: peu oedjöng reunggét, of: poeboengöng reunggét, of: padjöh riba, of: padjöh boengong reunggét, of: peulaba riba, of: ngoej reunggét sambot, of: oetang reunggét sambot enz. (Q: mënlöböi, of: bërlöbö ringgit, of: oedjoengön-, of: toedjoengön ringgit, of: njamboet ringgit enz.).

3) Rente = laba, of: boengong, of: oedjöng (G: löbö, of: oedjoeng, Alas: oedjoeng, of: boengö).

4) Woeker = riba (G: ribö — Arab: riba).

5) Vgl. over het r/öa-verbod: Dr. C. Snouck Hurgronje: De Atjèhers dl. I, p. 316 vg. (The Achehnese 1:292 vg.); Dezelfde in De Ind. Gids 1884 dl. I, p. 740 vg. en 751 vg., 1886 dl. I. p. 103 en 108 vg.; Dr. Th. W. Juynboll's „Handleiding" p. 268 vg., waar ook eenige middelen tot ontduiking van het riba-verbod worden genoemd. Vgl. over zulke gefingeerde rechtshandelingen op Java in gebruik nog Mr. L. W. C. van den Berg's „Afwijkingen" in de Bijdragen T. L. en Vk. v. Ned. Indië dl. 47, p. 102 vg. en 124 vg.